Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM2353

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2010
Datum publicatie
27-04-2010
Zaaknummer
08-5500 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uikering. Gelet op hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, met name de constatering dat de door de rechtbank ingeschakelde deskundige Zuurmond alleen is uitgegaan van subjectieve pijnklachten van betrokkene en geen concreet antwoord heeft gegeven op de door de rechtbank gestelde vraag welke beperkingen betrokkene had op 16 oktober 2005, de datum hier in geding, heeft de Raad aanleiding gezien opnieuw een deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek. Het rapport van Van Arkel is naar het oordeel van de Raad – anders dan de rapporten van Zuurmond – inzichtelijk gemotiveerd en de conclusies zijn voldoende onderbouwd. Hetgeen van de zijde van betrokkene in hoger beroep aan informatie is ingebracht, geeft de Raad geen aanknopingspunt voor twijfel aan het oordeel van de deskundige Van Arkel. De Raad ziet dan ook geen aanleiding om het oordeel van de door haar om advies gevraagde orthopedisch chirurg Van Arkel niet te volgen en acht zich wat de medische grondslag van het bestreden besluit betreft thans voldoende voorgelicht. Het bestreden besluit wordt gedragen door een adequate en toereikende medische en arbeidskundige grondslag. Hetgeen appellant naar voren heeft gebracht en de conclusies van Van Arkel brengen de Raad tot het oordeel dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene ten onrechte gegrond heeft verklaard, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Raad zal, doende wat de rechtbank had behoren te doen, het beroep van betrokkene ongegrond verklaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5500 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 24 juli 2008, 06/50 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 23 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld, met daarbij gevoegd het rapport van de bezwaarverzekeringsarts M. Hoogeboom-Copier.

Namens betrokkene heeft mr. P.P.J.L. Appelman, advocaat te Alkmaar, een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van de Raad heeft de orthopedisch chirurg dr. E.R.A. van Arkel als deskundige, na onderzoek van betrokkene, rapport uitgebracht op 6 oktober 2009.

Bij brief van 18 december 2009 heeft de gemachtigde van betrokkene daarop gereageerd.

Appellant heeft bij brief van 4 januari 2010 de reactie van de bezwaarverzekeringsarts Hoogeboom-Copier aan de Raad doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door E.M.C. Beijen. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Betrokkene was werkzaam als verkoopster in een slagerij en viel uit met arm- en rugklachten waarna zij in aansluiting op de wachttijd met ingang van 12 mei 1993 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) heeft ontvangen, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Per 16 december 1993 is deze uitkering herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% en per 1 april 1999 naar 55 tot 65%.

2.1. Bij besluit van 15 augustus 2005 heeft appellant de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 16 oktober 2005 ingetrokken.

2.2. Het door betrokkene hiertegen gemaakte bezwaar heeft appellant bij besluit van 27 december 2005 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft, nadat beroep was ingesteld, aanleiding gezien betrokkene te laten onderzoeken door de anesthesioloog prof. dr. W.W.A. Zuurmond die in zijn rapporten van 4 maart 2007 en 6 juli 2007 tot de conclusie is gekomen dat hij zich niet kan verenigen met de belastbaarheid van betrokkene zoals die is weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 16 juni 2005. Voorts achtte de deskundige betrokkene niet geschikt de haar voorgehouden functies te vervullen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de rapporten van de deskundige niet te volgen. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit neemt met inachtneming van de uitspraak. Tevens zijn bepalingen opgenomen over de proceskosten en het griffierecht.

4. Appellant kan zich niet met de aangevallen uitspraak verenigen en stelt zich - op basis van het rapport van de bezwaarverzekeringsarts - op het standpunt dat de in beroep door de rechtbank ingeschakelde deskundige niet op een inzichtelijke wijze met vermelding van een somatisch substraat, heeft gerapporteerd waarom betrokkene meer beperkt zou zijn dan is aangenomen in de FML. Zuurmond heeft wat de vraag naar de beperkingen van betrokkene betreft volstaan met verwijzingen naar literatuur over het chronisch pijnsyndroom. Appellant heeft in dat verband tevens aangevoerd dat een logische samenhang tussen de klachten, de stoornis en de geclaimde aanvullende beperkingen ontbreekt.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. In vaste jurisprudentie van de Raad ligt besloten dat het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel is geïndiceerd.

5.3. Gelet op hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, met name de constatering dat de door de rechtbank ingeschakelde deskundige Zuurmond alleen is uitgegaan van subjectieve pijnklachten van betrokkene en geen concreet antwoord heeft gegeven op de door de rechtbank gestelde vraag welke beperkingen betrokkene had op 16 oktober 2005, de datum hier in geding, heeft de Raad aanleiding gezien opnieuw een deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek. De deskundige, de orthopedisch chirurg Van Arkel, heeft betrokkene onderzocht en bij rapport van 6 oktober 2009 zijn standpunt weergegeven naar aanleiding van door de Raad gestelde vragen. Uit zijn rapport blijkt dat hij kennis heeft genomen van de hier van belang zijnde stukken uit het dossier, waaronder de rapporten van de (bezwaar)verzekeringsartsen, de informatie van de behandelend artsen en voorts de rapporten van de door de rechtbank geraadpleegde anesthesioloog Zuurmond. Van Arkel, die bij zijn onderzoek een normale vorm en functie van nek, rug, armen en benen waarnam, is tot de conclusie gekomen dat er bij betrokkene sprake is van therapieresistente pijn zonder objectiveerbare afwijkingen. Hij kan zich verenigen met de beschouwing en conclusie uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 7 december 2005 en de vastgestelde belastbaarheid van betrokkene zoals weergegeven in de FML. Voorts achtte Van Arkel betrokkene geschikt de haar voorgehouden functies te vervullen.

5.4. Het rapport van Van Arkel is naar het oordeel van de Raad – anders dan de rapporten van Zuurmond – inzichtelijk gemotiveerd en de conclusies zijn voldoende onderbouwd. Hetgeen van de zijde van betrokkene in hoger beroep aan informatie is ingebracht, geeft de Raad geen aanknopingspunt voor twijfel aan het oordeel van de deskundige Van Arkel. De Raad ziet dan ook geen aanleiding om het oordeel van de door haar om advies gevraagde orthopedisch chirurg Van Arkel niet te volgen en acht zich wat de medische grondslag van het bestreden besluit betreft thans voldoende voorgelicht.

5.5. De Raad is gelet op het overwogene bij 5.2 tot en met 5.4 tot het oordeel gekomen dat het bestreden besluit wordt gedragen door een adequate en toereikende medische en arbeidskundige grondslag. Hetgeen appellant naar voren heeft gebracht en de conclusies van Van Arkel brengen de Raad tot het oordeel dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene ten onrechte gegrond heeft verklaard, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Raad zal, doende wat de rechtbank had behoren te doen, het beroep van betrokkene ongegrond verklaren.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om over te gaan tot een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) D.E.P.M. Bary.

TM