Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM2349

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2010
Datum publicatie
26-04-2010
Zaaknummer
08-4206 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat het Uwv de belastbaarheid van appellante heeft overschat. De aan de schatting ten grondslag gelegde functies zijn in medisch opzicht geschikt voor appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4206 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 5 juni 2008, 07/4440 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K.U.J. Hopman, advocaat te Alkmaar, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 4 februari 2010 zijn namens appellante aanvullende gronden ingediend. Het Uwv heeft hierop gereageerd bij brief van 16 februari 2010, met daarbij gevoegd een rapport van diezelfde datum van bezwaarverzekeringsarts G.K. Hebly.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2010. Appellante en haar gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Namens het Uwv is verschenen mr. M.J.F. Bär.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was laatstelijk werkzaam als administratief medewerkster. Met ingang van 3 september 1996 is appellante met zwangerschapsverlof gegaan en aansluitend daaraan heeft appellante zich op 5 januari 1997 ziek gemeld wegens lichamelijke klachten, later kreeg appellante ook psychische klachten.

1.2. Na het doorlopen van de wettelijke wachttijd is aan appellante met ingang van 2 september 1997 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.3. Bij besluit van 31 maart 2006 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 1 juni 2006 ingetrokken op de grond dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 15% bedroeg.

2.1. Het medisch onderzoek in de bezwaarfase is verricht door bezwaarverzekeringsarts B.C.M. Admiraal. Deze arts is bij de hoorzitting aanwezig geweest en heeft de door de huisarts van appellante op 10 augustus 2006 verstrekte medische informatie bij haar beoordeling betrokken. Tevens heeft er op verzoek van de bezwaarverzekeringsarts een psychiatrisch onderzoek plaatsgevonden. Uit het rapport van 30 oktober 2006 van psychiater E.F. van Ittersum komt naar voren dat er bij appellante geen cognitieve functiestoornissen zijn en dat de stemming voornamelijk dysfoor is. Appellante toont geen tekenen van psychose, in het bijzonder geen wanen en/of hallucinaties of paranoïdie. Als hoofddiagnose heeft Van Ittersum een borderline persoonlijkheidsstoornis gesteld. De Gaf-score is vastgesteld op 40 tot 50. Er is bij appellante sprake van een gestoorde conflicthantering en stresshantering. Van Ittersum kan zich vinden in de door de primaire verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid, zoals is weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 20 januari 2006.

2.2. Naar aanleiding van het expertiserapport heeft bezwaarverzekeringsarts Admiraal op 21 mei 2007 gerapporteerd. Na weging van alle beschikbare medische gegevens heeft de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat met de in de FML van 20 januari 2006 opgenomen beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren en de beperking voor nachtdiensten de belastbaarheid van appellante niet is overschat. Vervolgens heeft bezwaararbeidsdeskundige W.G.E. Buskermolen opnieuw de geduide functies beoordeeld en in het rapport van 24 mei 2007 geconcludeerd dat één van de primair geduide functies komt te vervallen vanwege het hoge handelingstempo. Er blijven echter voldoende functies over, waarbij het verlies aan verdienvermogen wijzigt in 3%, hetgeen geen gevolgen heeft voor de mate van arbeidsongeschiktheid. Bij besluit van 29 mei 2007 (hierna: het bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 31 maart 2006 ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - kort samengevat - overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat het besluit op een voldoende medische grondslag berust. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gezien om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellante ongeschikt te achten.

4. In hoger beroep is namens appellante - kort samengevat - aangevoerd dat het Uwv haar beperkingen heeft onderschat, met name de beperkingen ten gevolge van haar psychische klachten. Onder de gegeven omstandigheden had meer waarde gehecht moeten worden aan de door Van Ittersum vastgestelde (lage) Gaf-score. In dit verband heeft appellante verwezen naar een aantal uitspraken van de Raad. Appellante acht zich vanwege haar beperkingen niet in staat om de geduide functies te vervullen. De grond die ziet op de strijdigheid van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten met onder meer artikel 1 van het eerste Protocol van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden heeft appellante in het aanvullende beroepschrift van 4 februari 2010 laten vervallen.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. De Raad heeft in het hoger beroep van appellante geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de medische grondslag berust op een zorgvuldig onderzoek. Tevens ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het Uwv de belastbaarheid van appellante heeft overschat. De Raad is van oordeel dat psychiater Van Ittersum in het rapport van 30 oktober 2006 voldoende heeft gemotiveerd waarom hij zich, met inachtneming van de door hem vastgestelde Gaf-score en na kennis te hebben genomen van de informatie van de behandelend psychiater M.E.J. Mansveld, kan vinden in de FML van 20 januari 2006. Daargelaten welke betekenis in het licht van de door de gemachtigde van appellante aangehaalde uitspraken van de Raad aan de

Gaf-score moet worden toegekend, ziet de Raad daarin geen aanleiding om te twijfelen aan de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat Van Ittersum bij de door hem vastgestelde Gaf-score als kanttekening heeft geplaatst dat deze met name wordt bepaald door de houding van appellante ten aanzien van het klachtenbeeld en vermoedelijk ook ziektewinst. Tevens kon de Gaf-score niet betrouwbaar worden gemeten vanwege het ernstig verstoorde dag/nachtritme van appellante. De opmerking van Van Ittersum over het opbouwen van het aantal te werken uren dient naar het oordeel van de Raad aangemerkt te worden als een re-integratieaspect en niet als een indicatie voor een urenbeperking. De Raad acht in de verzekeringsgeneeskundige rapporten van 21 mei 2007 en 16 februari 2010 voldoende gemotiveerd waarom het Uwv voor appellante geen urenbeperking heeft gesteld.

5.3. De Raad heeft, uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, evenmin grond om te oordelen dat de drie in de bezwaarfase uiteindelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht niet geschikt zouden zijn voor appellante. Daaraan voegt de Raad nog toe dat het Uwv ter zitting heeft opgemerkt dat, gelet op de door bezwaararbeidsdeskundige Buskermolen in zijn rapport van 24 mei 2007 genoemde resterende verdiencapaciteit, niet de functie van productiemedewerker machinaal inpakken (sbc-code 111175) maar de functie van samensteller metaalwaren (sbc-code 264140) in de bezwaarfase alsnog aan de schatting ten grondslag is gelegd.

5.4. Uit de overwegingen 5.2 en 5.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en R. Kruisdijk en G.W.B. van Westen als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2010.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) D.E.P.M. Bary.

JL