Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM2336

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2010
Datum publicatie
27-04-2010
Zaaknummer
08-7300 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er geen sprake is van nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7300 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 25 november 2008, 08/762 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.W.A. Wijsman, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2010, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wijsman voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen W.M.C. Höppener.

II. OVERWEGINGEN

1.1. In 1991 is appellant een invaliditeitsuitkering ingevolge de Algemene burgerlijke pensioenwet toegekend. Met ingang van 1 januari 1996 is deze uitkering omgezet in een WAO-conforme uitkering. Vervolgens is deze WAO-conforme uitkering per 1 januari 1998 omgezet in een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO).

1.2. Bij besluit van 13 oktober 2004 is appellant meegedeeld dat de aan hem toegekende WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% ongewijzigd bleef, maar dat vanwege inkomsten deze uitkering met toepassing van artikel 44 van de WAO over de periode van 1 januari 1998 tot 1 januari 2000 wordt uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, over de periode van 1 januari 2000 tot 1 januari 2001 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% en over de periode van 1 januari 2001 tot 1 juni 2001 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

1.3. Tegen dat besluit heeft appellant bij schrijven van 22 februari 2005 bezwaar gemaakt. Aangezien dit bezwaar naar de mening van het Uwv niet tijdig was ingediend, heeft het Uwv dit bezwaar bij besluit van 21 april 2005 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

2.1. Bij brief van 27 juli 2007 heeft appellant het Uwv verzocht terug te komen van het besluit 13 oktober 2004. Daarbij heeft hij er op gewezen, onder verwijzing naar jurisprudentie van de Raad, dat een WAO-uitkering niet met terugwerkende kracht mag worden verlaagd. Voorts heeft hij, onder verwijzing naar bijgevoegde brieven van 23 juli 1997 en 4 augustus 1997, gewezen op de afspraak tussen het voormalige USZO en appellant dat inkomsten uit of in verband met arbeid die reeds voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid werden genoten en waarvan de omvang en zwaarte niet is toegenomen, niet worden verrekend met de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Naar de mening van appellant was het Uwv niet op de hoogte van deze afspraak en heeft het Uwv derhalve bij het nemen besluit van 13 oktober 2004 geen rekening gehouden met deze

afspraak.

2.2. Bij besluit van 12 november 2007 heeft het Uwv het verzoek van appellant om terug te komen van het besluit van 13 oktober 2004 met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen, welk besluit na bezwaar van appellant bij het thans bestreden besluit van 10 april 2008 is gehandhaafd.

3. De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met het door het Uwv ingenomen standpunt dat appellant geen nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb naar voren heeft gebracht en heeft het beroep ongegrond verklaard.

4.1. Naar aanleiding van het hoger beroep van appellant overweegt de Raad het volgende.

4.2. De brief van 27 juli 2007 is door het Uwv terecht aangemerkt als een verzoek om terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit dat moet worden beoordeeld in het kader van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er in het onderhavige geval geen sprake is van nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden als bedoeld in deze bepaling. De in 2.1 genoemde afspraak tussen het USZO en appellant kan niet als zodanig worden aangemerkt, omdat het Uwv ten tijde van het besluit van 13 oktober 2004, zoals is vermeld in het bestreden besluit en door de gemachtigde tijdens de zitting nogmaals is bevestigd, op de hoogte was van deze afspraak. De omstandigheid dat appellant naar zijn zeggen zelf pas geruime tijd na het besluit van 13 oktober 2004 op de hoogte is geraakt van deze afspraak en de inhoud daarvan maakt dit niet anders. Nu appellant ook anderszins geen feiten of veranderde omstandigheden in voormelde zin naar voren heeft gebracht, is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J van der Vos als voorzitter en J.P.M. Zeijen en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) T.J. van der Torn.

JL