Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM2330

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-04-2010
Datum publicatie
26-04-2010
Zaaknummer
08-4112 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De grief van appellant betreffende de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar treft doel. De rechtbank heeft het bestreden besluit onjuist gelezen en de omvang van het bezwaarschrift van appellant onjuist vastgesteld. Het bezwaar betrof immers slechts het door appellant onjuist geachte besluit van 1 juni 2006 inzake de definitieve berekening van de afkoopsom en de daaruit voortvloeiende terugvordering. In het bestreden besluit is ook slechts op het bezwaar tegen dat besluit van 1 juni 2006 beslist. De Raad volgt de minister in zijn opvatting dat de in het convenant neergelegde regeling limitatief is en wijst erop dat bij de berekening van het salaris, zoals vervat in deel 3, onder 2a, van het convenant, het privégebruik van de leaseauto niet als salarisbestanddeel is opgenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4112 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 juni 2008, 07/4040 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Financiën, als rechtsopvolger van de Staatssecretaris van Financiën (hierna: minister)

Datum uitspraak: 8 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2010. Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.P.H. Sijben, mr. Q.A. Witsen-Elias en G. de Groot, allen werkzaam bij het ministerie van Financiën.

II. OVERWEGINGEN

1. Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Staatssecretaris van Financiën, is in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van de minister. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Staatssecretaris van Financiën.

2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

2.1. Op grond van de Wet financiering sociale verzekeringen is de bevoegdheid van premieheffing en -inning van sociale verzekeringen overgeheveld van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) naar de Belastingdienst. In dat kader is afgesproken dat in de periode tussen 1 juli 2005 en 1 januari 2007 800 Uwv-medewerkers overgaan naar de Belastingdienst. Op 4 februari 2005 is een convenant betreffende die overgang afgesloten tussen de bonden en de bestuurders van het Uwv en de Belastingdienst (hierna: convenant). Eén van de uitgangspunten van het convenant is dat eventuele negatieve effecten van de inschaling op het moment van overgang worden vergolden met een afkoopsom, waarvan de uitbetaling zou geschieden bij de eerste salarisbetaling door de Belastingdienst.

2.2. Appellant is met ingang van 1 januari 2006 in dienst getreden bij de Belastingdienst, aangesteld als ambtenaar in algemene dienst van het Rijk en tewerkgesteld bij de eenheid Belastingdienst/Holland-Midden.

2.3. Bij de salarisbetaling in januari 2006 is aan appellant een afkoopsom uitbetaald van € 14.984,16 bruto. In een begeleidende brief van 23 januari 2006 is aangegeven dat bij de berekening van de afkoopsom nog geen rekening is gehouden met de CAO Rijk, dat de afkoopsom opnieuw zal worden berekend zodra die CAO is getekend en dat de herberekening uit een nabetaling of terugvordering kan bestaan.

Na vaststelling van de CAO Rijk en de CAO van het Uwv is bij besluit van 1 juni 2006 de afkoopsom definitief vastgesteld op een bedrag van € 14.012,14 bruto en is van appellant een bedrag van € 972,02 bruto teruggevorderd.

2.4. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 1 juni 2006. Hij is, onder meer, van mening dat bij de berekening ten onrechte geen rekening is gehouden met het verlies van het genot van het privégebruik van de leaseauto. De minister heeft bij het bestreden besluit van 16 februari 2007 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 juni 2006 ongegrond verklaard en de terugvordering gehandhaafd.

3. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover daarbij de bezwaren tegen het besluit van 23 januari 2006 ongegrond zijn verklaard en het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 januari 2006 niet-ontvankelijk is verklaard. Voor het overige heeft de rechtbank het bestreden besluit in stand gelaten en bepalingen gegeven over griffierecht en proceskosten.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep de niet-ontvankelijkverklaring door de rechtbank betwist en de Raad verzocht alsnog uitspraak te doen over het ten onrechte niet compenseren van het loonelement privégebruik leaseauto in de berekening van de afkoopsom.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

4.1. De grief van appellant betreffende de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar treft doel. De rechtbank heeft het bestreden besluit onjuist gelezen en de omvang van het bezwaarschrift van appellant onjuist vastgesteld. Het bezwaar betrof immers slechts het door appellant onjuist geachte besluit van 1 juni 2006 inzake de definitieve berekening van de afkoopsom en de daaruit voortvloeiende terugvordering. In het bestreden besluit is ook slechts op het bezwaar tegen dat besluit van 1 juni 2006 beslist.

De aangevallen uitspraak moet dan ook worden vernietigd voor zover daarin wordt uitgegaan van en beslist is over een besluit op een bezwaar tegen een besluit van 23 januari 2006.

4.2. De Raad ziet, nu de zaak naar zijn oordeel geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft, geen aanleiding de zaak naar de rechtbank terug te wijzen.

4.3. De Raad dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de minister bij het bestreden besluit van 16 februari 2007 terecht geen rekening heeft gehouden met het verlies van het genot van het privégebruik van de leaseauto. Met de minister is de Raad van oordeel dat daarbij het convenant bepalend is. In het convenant is in deel 3, onder 2f, een leaseautoregeling opgenomen. Op grond van deze leaseautoregeling worden Uwv-medewerkers die op het moment van overgang naar de Belastingdienst nog over een auto

beschikken, maar bij de Belastingdienst geen recht hebben op een dienstauto, in de gelegenheid gesteld de auto over te nemen en daarbij gebruik te maken van een renteloze lening. De Uwv-medewerker die bij de Belastingdienst recht heeft op een dienstauto kan de auto inbrengen in de regeling van de Belastingdienst. Ten aanzien van leaseauto’s is niets meer of anders opgenomen. De Raad volgt de minister in zijn opvatting dat de in het convenant neergelegde regeling limitatief is en wijst erop dat bij de berekening van het salaris, zoals vervat in deel 3, onder 2a, van het convenant, het privégebruik van de leaseauto niet als salarisbestanddeel is opgenomen.

5. Gelet op het vorenoverwogene houdt het bestreden besluit stand en moet het beroep van appellant tegen dat besluit ongegrond worden verklaard.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens de bepalingen inzake proceskosten en griffierecht;

Verklaart het beroep ongegrond;

Bepaalt dat de minister aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van € 216,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en M.C. Bruning en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2010.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD