Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM2327

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2010
Datum publicatie
27-04-2010
Zaaknummer
08-5355 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-Schatting. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat bezwaarverzekeringsarts Hoornstra bij zijn inschatting van de belastbaarheid van appellant essentiële bevindingen van neuroloog Siegers buiten beschouwing heeft gelaten en de beperkingen heeft onderschat. De Raad merkt op dat de bezwaarverzekeringsarts gelet op de aangegeven bezwaren en het overgelegde expertiserapport, waarbij de Raad opmerkt dat deze rapportage is opgemaakt in verband met een letselschade, dossierstudie heeft verricht en na hoorzitting nog een aanvullend medisch onderzoek heeft verricht. In zijn rapportage van 13 september 2007 heeft deze arts naar het oordeel van de Raad naar behoren gemotiveerd aangegeven waarom een aantal aangegeven beperkingen uit het rapport van Siegers zijn overgenomen en tevens is gemotiveerd waarom andere niet dan wel niet in zijn geheel zijn overgenomen. Het beroep dat appellant heeft gedaan op het verzekeringsgeneeskundig protocol Whiplash associated disorder I/II ziet de Raad niet slagen nu dit protocol eerst in werking is getreden op 1 april 2009. De verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts hebben daarmee bij hun onderzoeken in 2007 uiteraard geen rekening kunnen houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5355 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 29 juli 2008, 07/2124 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.T.G. van Engelen, advocaat te Wageningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2010, waar voor appellant is verschenen mr. Van Engelen. Het Uwv is met kennisgeving niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is vanwege nek-, schouder-, hoofdpijn-, rechterduim- en rechterknieklachten als gevolg van een bedrijfsongeval op 8 september 1998 uitgevallen voor zijn werkzaamheden als plafondmonteur waarna hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering is toegekend, die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

1.2. Het verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek dat naar aanleiding van een herbeoordeling in het kader van het aangepast Schattingsbesluit arbeids-ongeschiktheidswetten (Stb. 2004, 434) is uitgevoerd, heeft geleid tot het besluit van 12 april 2007 waarbij de WAO-uitkering van appellant met ingang van 13 juni 2007 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

1.3. In bezwaar heeft appellant aangegeven dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn linkerarmklachten die hij als gevolg van een ongeval op 25 juli 2001 bij een manoeuvre met zijn caravan heeft opgelopen. Vanwege overcompensatie heeft hij tevens last gekregen van rechterarmklachten. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant gewezen op een expertiserapport van neuroloog H.P. Siegers van 9 november 2004. Uit dit rapport blijkt volgens appellant dat er door het ongeval in 2001 een toename is opgetreden in de post-whiplashklachten, die appellant heeft overgehouden van het bedrijfsongeval in 1997. Verder dienen er ten aanzien van het gebruik van de linkerarm meer beperkingen te worden aangenomen voor wat betreft het reiken, hand- en vingervaardigheden en het bovenhands werken. Ook het klimmen, het kruipen, het hurken en koude dienen vanwege het armletsel meer beperkt te worden.

1.4. In bezwaar heeft bezwaarverzekeringsarts I.L. Hoornstra appellant onderzocht en heeft zijn bevindingen neergelegd in een rapport van 13 september 2007. Hierin heeft hij een aantal discrepanties geconstateerd met betrekking tot de klachten van de knieën en de functie van de nek. Na onderzoek acht de bezwaarverzekeringsarts appellant, gelet op de bezwaren en het expertiserapport van neuroloog Siegers, aangewezen op werk waarbij de nek en bovenste extremiteit links niet te zwaar worden belast. Voorts komt de bezwaarverzekeringsarts tot de conclusie dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) dient te worden bijgesteld op langdurige koude omgeving, langdurig knielen, kruipen, hurken en hand- en vingergebruik. In verband met de rugklachten dient het zitten beperkt te worden en vanwege de linkerarmklachten wordt het frequent reiken links beperkt, waarbij bovenhands reiken links niet is toegestaan. De beperking voor tillen/dragen wordt op een andere wijze vorm gegeven. Voor het overige kan de bezwaarverzekeringsarts zich verenigen met de eerder vastgestelde FML.

Als gevolg van de door de bezwaarverzekeringsarts aangescherpte FML konden de aanvankelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet worden gehandhaafd. Zodoende heeft bezwaararbeidsdeskundige J.G. Schipper het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem geraadpleegd. Op basis van een gewijzigde functieduiding is de bezwaararbeidsdeskundige tot de conclusie gekomen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant onveranderd leidt tot indeling in de klasse 35 tot 45%. Overeenkomstig deze rapporten heeft het Uwv bij besluit van 26 oktober 2007 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar gegrond verklaard en besloten om de WAO-uitkering van appellant per 13 juni 2007 onveranderd te baseren op een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de medische grondslag van het besteden besluit onderschreven. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is de rechtbank van oordeel dat de geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functie van conciërge, huismeester, huisbewaarder onvoldoende is gemotiveerd. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat de aan appellant tevens geduide reservefunctie van administratief medewerker (beginnend) is aan te merken als arbeid die wat betreft de daarin voorkomende belasting in overeenstemming is met de vastgestelde beperkingen.

3. In hoger beroep heeft appellant zijn eerdere in bezwaar en beroep aangevoerde stellingen herhaald. Appellant wijst op zijn wisselende belastbaarheid met betrekking tot de nekklachten, horende bij whiplashklachten. Hierbij verwijst appellant naar het verzekeringsgeneeskundig protocol Whiplash associated disorder I/II. Voorts is bij het vaststellen van de beperkingen in de FML in onvoldoende mate rekening gehouden met het expertiserapport van neuroloog Siegers.

Met betrekking tot de geduide functies is aangegeven dat de functie van meteropnemer niet geschikt is vanwege een overschrijding op het item bovenhands werken. De functie van administratief medewerker is niet passend in verband met het bovenschouderhoogte actief zijn omdat in deze functies sprake is van het plaatsen van stapels dossiers boven in een kast.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. De Raad kan, met de rechtbank, de medische grondslag van het bestreden besluit onderschrijven. De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat bezwaarverzekeringsarts Hoornstra bij zijn inschatting van de belastbaarheid van appellant essentiële bevindingen van neuroloog Siegers buiten beschouwing heeft gelaten en de beperkingen heeft onderschat. De Raad merkt op dat de bezwaarverzekeringsarts gelet op de aangegeven bezwaren en het overgelegde expertiserapport, waarbij de Raad opmerkt dat deze rapportage is opgemaakt in verband met een letselschade, dossierstudie heeft verricht en na hoorzitting nog een aanvullend medisch onderzoek heeft verricht. In zijn rapportage van 13 september 2007 heeft deze arts naar het oordeel van de Raad naar behoren gemotiveerd aangegeven waarom een aantal aangegeven beperkingen uit het rapport van Siegers zijn overgenomen en tevens is gemotiveerd waarom andere niet dan wel niet in zijn geheel zijn overgenomen. Nu appellant in hoger beroep geen nieuwe medische gegevens heeft overgelegd die doen twijfelen aan de opgestelde FML, ziet de Raad geen aanknopingspunten deze voor onjuist te houden.

4.3. Het beroep dat appellant heeft gedaan op het verzekeringsgeneeskundig protocol Whiplash associated disorder I/II ziet de Raad reeds hierom niet slagen nu dit protocol eerst in werking is getreden op 1 april 2009. De verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts hebben daarmee bij hun onderzoeken in 2007 uiteraard geen rekening kunnen houden.

4.4. Ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kan de Raad onderschrijven. De bij de geselecteerde functies voorkomende signaleringen zijn door de bezwaararbeidsdeskundige Schipper, in zijn rapporten van 8 en 25 oktober 2007, van 1 februari 2008 en van 13 februari 2009, gegeven nadere verduidelijking, voldoende toegelicht. In het bijzonder wijst de Raad op het rapport van 25 oktober 2007 waarin de bezwaararbeidsdeskundige ingaat op de bezwaren van appellant met betrekking tot de functie van administratief medewerker. De Raad acht deze nadere toelichting toereikend.

4.5. Het vorenstaande leidt ertoe dat de Raad de aangevallen uitspraak bevestigt.

5. Met betrekking tot de proceskosten stelt de Raad vast dat er geen aanleiding is om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.A. van Amerongen.

JL