Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM2324

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2010
Datum publicatie
27-04-2010
Zaaknummer
09-2705 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Voor het aannemen van meer of verdergaande beperkingen voor appellante ziet de Raad op grond van de beschikbare informatie geen aanleiding. Het Uwv heeft aldus bezien dan ook terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 29 mei 2008 bepaald op minder dan 15%. De Raad ziet geen reden in de onderhavige zaak tot een ander oordeel te komen dan gegeven in de aangevallen uitspraak, zodat deze voor bevestiging in aanmerking komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2705 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 17 april 2009, 08/2434 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.J. Visser, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend waarbij gevoegd de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts M.E.J. van Hooff van 25 juni 2009.

Bij brief van 1 maart 2010 heeft appellante nadere medische informatie toegestuurd.

Het Uwv heeft bij brief van 10 maart 2010 de reactie van bezwaarverzekeringsarts Van Hooff op die informatie aan de Raad doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2010 waar appellante is verschenen, bijgestaan door mr. A.B.M. Adriaansen, kantoorgenoot van haar advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.P.F. Oosterbos.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was werkzaam als schoonmaakster in een school (10,67 uur) en verkoopmedewerkster in een supermarkt (17,5 uur) gedurende gemiddeld 28,17 uur per week en heeft zich op 4 april 2000 in verband met psychische klachten ziek gemeld. Na het einde van de wachttijd heeft zij per 5 april 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Op 6 februari 2007 is appellante onderzocht door de verzekeringsarts A.G. Maris. Na ontvangst van de door de behandelend psycholoog H. Bergmans op 21 augustus 2007 verzonden informatie heeft de verzekeringsarts, in aansluiting op zijn rapport van 6 februari 2007, op 24 augustus 2007 en 24 september 2007 nadere rapporten uitgebracht. Deze verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat appellante in staat is arbeid te verrichten die in overeenstemming is met haar beperkingen zoals die zijn weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 13 september 2007. Na raadpleging van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) heeft de arbeidsdeskundige H. Claessen een aantal functies geselecteerd, die in overeenstemming worden geacht met de beperkingen van appellante en waarmee zij een zodanig inkomen kan verdienen dat geen sprake is van een verlies aan verdiencapaciteit.

2.1. Bij besluit van 27 september 2007 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante om die reden met ingang van 28 november 2007 ingetrokken.

2.2. Bij besluit van 22 april 2008 (hierna: bestreden besluit), met bijbehorende rapportages van de bezwaarverzekeringsarts M.E.J. van Hooff en de bezwaararbeidsdeskundige W. Heijmans, van 14 februari 2008 en 18 april 2008, respectievelijk 4 maart 2008, is het bezwaar van appellante gegrond verklaard en is haar WAO-uitkering eerst per 29 mei 2008 ingetrokken. Daarbij is uitgegaan van de op 18 februari 2008 bijgestelde FML.

2.3. In de aangevallen uitspraak is het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Ten aanzien van de medische grondslag heeft de rechtbank geoordeeld – kort gezegd – dat er geen aanleiding bestaat het Uwv niet te volgen in diens standpunt dat bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 29 mei 2008 voldoende rekening is gehouden met haar beperkingen. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat de geselecteerde functies medewerker tuinbouw (planten, bloemen en vruchten (Sbc-code 111010), productiemedewerker industrie (samenstellen van producten (Sbc-code 111180) en inpakker (handmatig) (Sbc-code 111190) terecht geschikt zijn geacht voor appellante en dat de signaleringen voldoende zijn toegelicht in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 4 maart 2008. Mitsdien heeft het Uwv zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 29 mei 2008 minder dan 15% bedraagt.

3. In hoger beroep heeft appellante medische grieven aangevoerd en - kort samengevat - gesteld dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met haar psychische klachten en dat de beperkingen onjuist zijn vastgesteld. Naar de mening van appellante heeft zij gezien haar beperkingen geen benutbare mogelijkheden.

4.1. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, geeft de Raad geen aanleiding de aangevallen uitspraak rechtens voor onjuist te houden. De Raad kan zich geheel verenigen met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde en uitvoerig gemotiveerde overwegingen. De Raad stelt vast dat in hoger beroep geen, niet eerder bekende, medische gegevens zijn ingebracht die van belang zijn voor de datum hier in geding. Wat de rugklachten betreft die zijn vermeld in de door appellante op 1 maart 2010 toegestuurde medische informatie van dr. K. de Knop, die is verbonden aan het Universitair Ziekenhuis Antwerpen en appellante zag op 29 juni 2009 en 15 juli 2009, moet worden vastgesteld dat deze klachten niet blijken uit de beschikbare medische informatie rond de datum in geding, waarbij de Raad in het bijzonder wijst op de brieven van de huisarts van 31 januari en 5 mei 2008 en informatie van de behandelend reumatoloog van 31 januari 2008. Een concrete onderbouwing dat deze klachten reeds aanwezig waren op 29 mei 2008 en toen beperkingen veroorzaakten, ontbreekt dan ook, hetgeen door de gemachtigde van appellante ter zitting desgevraagd ook niet is ontkend. De Raad heeft geen aanknopingspunt gevonden de opmerkingen van de bezwaarverzekeringsarts, zoals onder andere weergegeven in het rapport van 8 maart 2010, voor onjuist te moeten houden. Voor het aannemen van meer of verdergaande beperkingen voor appellante ziet de Raad op grond van de beschikbare informatie geen aanleiding.

4.2. De Raad komt, gelet op het overwogene bij 4.1. evenals de rechtbank tot het oordeel dat de hierboven onder punt 2.3. genoemde functies op medische gronden terecht door het Uwv per 29 mei 2008 geschikt zijn geacht voor appellante.

4.3. Het Uwv heeft aldus bezien dan ook terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 29 mei 2008 bepaald op minder dan 15%. De Raad ziet geen reden in de onderhavige zaak tot een ander oordeel te komen dan gegeven in de aangevallen uitspraak, zodat deze voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht evenmin termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellante.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door als J.W. Schuttel voorzitter en C.W.J. Schoor en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) D.E.P.M. Bary.

TM