Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM2319

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2010
Datum publicatie
27-04-2010
Zaaknummer
09-5832 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zoals blijkt uit het vermelde faxbericht van 11 maart 2010, is de bezwaararbeidsdeskundige van het Uwv bij recent arbeidskundig onderzoek tot de conclusie gekomen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van de in geding zijnde datum 13 augustus 2001 dient te worden gesteld op 80 tot 100%. De gemachtigde van het Uwv heeft ter zitting meegedeeld dat in verband hiermee een nieuw besluit zal worden genomen, waarbij aan appellante met ingang van 13 augustus 2001 alsnog een naar een volledige mate van arbeidsongeschiktheid berekende WAO-uitkering zal worden toegekend. De Raad overweegt dat, nu aldus het Uwv zijn in het bestreden besluit vervatte standpunt niet langer juist acht, het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Ook de aangevallen uitspraak, waarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard, dient te worden vernietigd. Het Uwv zal een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen, in overeenstemming met zijn onder punt 4.1 vermelde nadere standpunt inzake de aanspraak op uitkering van appellante met ingang van 13 augustus 2001.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5832 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 14 september 2009, 08/809 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft H.J.A. Aerts, juridisch medewerker bij Delescen Advocaten te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij faxbericht van 11 maart 2010, voorzien van bijlagen, heeft het Uwv meegedeeld dat de bezwaararbeidsdeskundige bij nader onderzoek heeft geconcludeerd dat appellante met ingang van 13 augustus 2001 voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt dient te worden beschouwd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2010. Appellante is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door drs. C.L. Schuren.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 11 juli 2001 heeft het Uwv geweigerd appellante in aansluiting op de wettelijke wachttijd, met ingang van 13 augustus 2001, in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), op de grond dat zij niet gedurende 52 weken als gevolg van ziekte of gebrek arbeidsongeschikt was geweest.

2. Nadat het besluit van 6 september 2002, waarbij het tegen het besluit van 11 juli 2001 gemaakte bezwaar ongegrond was verklaard, was vernietigd bij uitspraak van de Raad van 10 januari 2007, heeft het Uwv bij besluit van 28 januari 2008, hierna: het bestreden besluit, het bezwaar alsnog gegrond verklaard en appellante met ingang van 13 augustus 2001 in aanmerking gebracht voor een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

3. Bij de aangevallen uitspraak is het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

4.1. Zoals blijkt uit het in rubriek I vermelde faxbericht van 11 maart 2010, is de bezwaararbeidsdeskundige van het Uwv bij recent arbeidskundig onderzoek tot de conclusie gekomen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van de in geding zijnde datum 13 augustus 2001 dient te worden gesteld op 80 tot 100%. De gemachtigde van het Uwv heeft ter zitting meegedeeld dat in verband hiermee een nieuw besluit zal worden genomen, waarbij aan appellante met ingang van 13 augustus 2001 alsnog een naar een volledige mate van arbeidsongeschiktheid berekende WAO-uitkering zal worden toegekend.

4.2. De Raad overweegt dat, nu aldus het Uwv zijn in het bestreden besluit vervatte standpunt niet langer juist acht, het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Ook de aangevallen uitspraak, waarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard, dient te worden vernietigd.

4.3. Het Uwv zal een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen, in overeenstemming met zijn onder punt 4.1 vermelde nadere standpunt inzake de aanspraak op uitkering van appellante met ingang van 13 augustus 2001.

5. Appellante heeft verzocht het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de schade die zij lijdt, bestaande uit wettelijke rente over de na te betalen WAO-uitkering. Overeenkomstig vaste rechtspraak van de Raad dient dit verzoek met toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te worden toegewezen. Wat betreft de wijze waarop het Uwv de wettelijke rente moet berekenen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van

1 november 1995 (LJN ZB1495).

6. De Raad acht voorts termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en eveneens op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Draagt het Uwv op een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt het Uwv tot vergoeding van renteschade als in overweging 5 van deze uitspraak is aangegeven;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 644, -, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van € 149,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) D.E.P.M. Bary.

TM