Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM2307

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2010
Datum publicatie
27-04-2010
Zaaknummer
08-1416 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. De Raad is van oordeel dat geen rechtsregel er aan in de weg staat om in het kader van de onderhavige herbeoordeling op basis van het aangepaste Schattingsbesluit tevens, mede in het licht van de melding van appellant op 15 november 2005 van toegenomen arbeidsongeschiktheid, te bezien of er, gelet op de beschikbare medische gegevens, sprake zou kunnen zijn van een eerdere, op of vanaf 15 november 2005 gelegen datum van toename van beperkingen en voorts om in het kader van die herbeoordeling te bezien welke gevolgen een eventuele eerdere datum van toename van beperkingen voor de WAO-uitkering van appellant zou kunnen hebben. Hieraan doet niet af dat het Uwv bij afzonderlijk besluit van 12 oktober 2006 reeds heeft vastgesteld dat een door hem aangenomen toename van beperkingen met ingang van 1 januari 2003 niet leidde tot een wijziging van de mate van arbeidsongeschiktheid, nu dit besluit niet ziet op de periode vanaf 15 november 2005.

Voorts had het alsdan in de rede gelegen dat in het kader van het nemen van het bestreden besluit was beoordeeld of op bijvoorbeeld 13 maart 2006 al sprake was van een toename van beperkingen die in het licht van artikel 39a van de WAO na arbeidskundige beoordeling van betekenis geweest zou kunnen zijn voor de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant na afloop van een in aanmerking te nemen wachttijd van 4 weken vanaf die datum. De Raad komt tot de slotsom dat het bestreden besluit een deugdelijke motivering ontbeert en om die reden moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het Uwv zal een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen met inachtneming van deze uitspraak van de Raad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1416 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[ppellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 29 januari 2008, 07/1625 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.J.A. van de Laar, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van appellant heeft een besluit van het Uwv van 23 oktober 2008 overgelegd. Hierop heeft het Uwv op 5 januari 2009 gereageerd, waarna de gemachtigde van appellant op 5 februari 2009 de aan dit besluit ten grondslag gelegde medische rapporten heeft overgelegd.

Desgevraagd heeft het Uwv op 27 oktober 2009 een nadere toelichting verstrekt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2010.

Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant was werkzaam als productiemedewerker toen hij zich op 2 juni 2000 met rug- en hoofdpijnklachten en klachten van overspannenheid arbeidsongeschikt meldde. Aan appellant is met ingang van 21 mei 2001 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Bij besluit van 22 maart 2002 zag het Uwv, gezien de resultaten van onderzoek van 20 maart 2002, geen aanleiding de WAO-uitkering van appellant te herzien.

2.1. Appellant heeft zich bij brief van 15 november 2005 ziek gemeld met toegenomen psychische klachten. De arts G.Q. Zamani heeft appellant op 28 februari 2006 onderzocht. In een rapport van dezelfde datum gaf Zamani aan dat appellant er wat onrustig en angstig uitzag en hij stelde de diagnose overige angststoornissen met depressieve stemming, zij het voorzien van een vraagteken. Zamani vroeg en kreeg informatie van de behandelend GZ-psycholoog drs. P.G.M. Tubée, die op 13 maart 2006 schreef dat appellant zich bij aanmelding erg angstig en paniekerig presenteerde. Op basis van de gevoerde gesprekken vermeldde Tubée dat de gedachten uitgingen naar een mogelijk onderliggende psychotische structuur en hij stelde volgens DSM IV op As I de voorlopige diagnose sociale fobie en aanpassingsstoornis met gemengd angstige en depressieve kenmerken en op As II trekken van een schizotypische persoonlijkheid en een antisociale persoonlijkheid. Vervolgens vroeg Zamani de psychiater J.D.J. Tilanus een expertise uit te brengen. In een rapport van 30 mei 2006 gaf Tilanus aan dat er bij appellant geen fobische gevoelens of gedragspatronen, geen depressief syndroom en geen op een psychose wijzende bewegingsstoornissen waren. Ook was volgens Tilanus geen sprake van een schizotypische persoonlijkheidsstoornis. Als diagnose stelde Tilanus dissociatieve stoornissen in het bewustzijn en een antisociale persoonlijkheidsstoornis.

2.2. Op basis van zijn eigen onderzoek en de expertise van Tilanus stelde Zamani in een rapport van 26 juni 2006 vast dat er met ingang van arbitrair 1 januari 2003 sprake was van toegenomen beperkingen bij appellant, voorkomend uit dezelfde ziekte-oorzaak en hij legde de beperkingen vast in een Functionele Mogelijkheden Lijst van eveneens

26 juni 2006. Vervolgens werd bij het arbeidskundig onderzoek na functieduiding vastgesteld dat appellant onveranderd 25 tot 35% arbeidsongeschikt was. In overeenstemming hiermee stelde het Uwv bij besluit van 12 oktober 2006 vast dat geen sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid met ingang van 1 januari 2003. Voorts stelde het Uwv bij afzonderlijk besluit van eveneens 12 oktober 2006 vast dat de WAO-uitkering van appellant naar aanleiding van een herbeoordeling in het kader van het met ingang van 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit evenmin wijzigde.

3.1. Appellant maakte - onder overlegging van het laatst genoemde besluit in overweging 2.2 – bezwaar tegen dit besluit.

3.2. De bezwaarverzekeringsarts J.P.M. Joosten stelde in een rapport van 19 januari 2007 vast dat de informatie van Tubée, waaronder diens brief van 2 mei 2006 aan Tilanus, weifelend van diagnostiek was. Volgens Joosten bleek helder uit de expertise van Tilanus dat sprake was van persoonlijkheidsproblemen en psychogene wegrakingen en dat Zamani daarmee in de FML in ruime mate rekening heeft gehouden. Vervolgens verklaarde het Uwv bij besluit van 18 april 2007 ongegrond het in overweging 3.1 vermelde bezwaar tegen het besluit van 12 oktober 2006, dat volgens het Uwv ook de datum 12 oktober 2006 betrof.

4. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 18 april 2007 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond. Zij onderschreef kort gezegd – de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

5.1 In hoger beroep is het in rubriek I vermelde besluit van 23 oktober 2008 overgelegd, waarin is aangegeven dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 1 oktober 2006 is gewijzigd en waarbij deze mate met ingang van 28 september 2008 is herzien naar 80 tot 100%.

5.2. In het aan dit besluit ten grondslag gelegde rapport van de verzekeringsarts A.C.A. van Ierland van 16 oktober 2008 is onder andere gewezen op informatie van Tubée van 9 juli 2008, die aangaf dat er ten opzichte van zijn brief van 13 maart 2006 aan Zamani weinig was veranderd in de situatie van appellant en dat het niet lukte dieper door te dringen tot appellant, wiens gedrag volgens Tubée zonder meer bizar was. Volgens Van Ierland stond, het gehele beeld overziende, vast dat bij appellant sprake was van een ernstige psychiatrische stoornis met disfunctioneren op persoonlijk, gezins- en sociaal niveau, waarbij hij ook wees op de voorgeschiedenis.

5.3. In een rapport van 17 oktober 2008 onderbouwde Van Ierland de (arbitraire) datum 1 oktober 2006 als datum van toename van arbeidsongeschiktheid door te stellen dat in een eerdere procedure door Zamani de medische situatie van juni 2006 was beoordeeld.

6. Desgevraagd heeft het Uwv bij brief van 27 oktober 2009 aangegeven dat, anders dan de inhoud van de brief van het Uwv aan de Raad van 5 januari 2009 zou kunnen doen veronderstellen, de toegenomen arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 1 oktober 2006 geen gevolgen heeft voor het bestreden besluit. Immers deze toename is niet ingetreden binnen vijf jaren na de datum van toekenning van de WAO-uitkering van appellant, zijnde 21 mei 2001, zodat artikel 39a van de WAO in dit geval toepassing mist en daarom ook voor deze toename de wachttijd van 104 weken geldt.

7.1. De Raad stelt in de eerste plaats vast dat partijen er op zichzelf niet meer over van mening verschillen dat appellant, daargelaten de in overweging 6 weergegeven visie van het Uwv voor de gevolgen daarvan voor de vaststelling van het recht op WAO-uitkering met ingang van 12 oktober 2006, in verband met het besluit van 23 oktober 2008 achteraf bezien ook op 12 oktober 2006 als volledig arbeidsongeschikt heeft te gelden.

7.2. De Raad is voorts van oordeel dat geen rechtsregel er aan in de weg staat om in het kader van de onderhavige herbeoordeling op basis van het aangepaste Schattingsbesluit tevens, mede in het licht van de melding van appellant op 15 november 2005 van toegenomen arbeidsongeschiktheid, te bezien of er, gelet op de beschikbare medische gegevens, sprake zou kunnen zijn van een eerdere, op of vanaf 15 november 2005 gelegen datum van toename van beperkingen en voorts om in het kader van die herbeoordeling te bezien welke gevolgen een eventuele eerdere datum van toename van beperkingen voor de WAO-uitkering van appellant zou kunnen hebben. Hieraan doet niet af dat het Uwv, zoals in overweging 2.2 is vermeld, bij afzonderlijk besluit van 12 oktober 2006 reeds heeft vastgesteld dat een door hem aangenomen toename van beperkingen met ingang van 1 januari 2003 niet leidde tot een wijziging van de mate van arbeidsongeschiktheid, nu dit besluit niet ziet op de periode vanaf 15 november 2005.

7.3. In het licht van de overwegingen 7.1 en 7.2 en in aanmerking genomen de conclusies van Van Ierland, waaraan mede de in overweging 5.2 weergegeven bevindingen van Tubée in zijn rapport van 9 juni 2008 ten grondslag liggen, kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat de conclusies van Joosten, zoals deze in overweging 3.2 zijn weergegeven, voldoende draagkrachtig zijn om als deugdelijke motivering van het bestreden besluit te dienen. Niet valt immers in te zien dat, nu Tubeé in zijn brief van 9 juni 2008 aangaf dat er ten opzichte van zijn brief van 13 maart 2006 aan Zamani weinig was veranderd in de situatie van appellant, de achteraf gebleken conclusies van Van Ierland niet ook reeds – met voorbijgaan aan de conclusies van Zamani, die het rapport van Tilanus volgde, en van Joosten, die appellant niet zelf had onderzocht - opgeld hadden moeten doen ten tijde van de brief van Tubée van 13 maart 2006. Voorts had het alsdan in de rede gelegen dat in het kader van het nemen van het bestreden besluit was beoordeeld of op bijvoorbeeld 13 maart 2006 al sprake was van een toename van beperkingen die in het licht van artikel 39a van de WAO na arbeidskundige beoordeling van betekenis geweest zou kunnen zijn voor de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant na afloop van een in aanmerking te nemen wachttijd van 4 weken vanaf die datum.

7.4. Op grond van de overwegingen 7.1 tot en met 7.3 komt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit een deugdelijke motivering ontbeert en om die reden moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het Uwv zal een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen met inachtneming van deze uitspraak van de Raad.

8. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten in beroep is de Raad niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,- te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van € 146,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) D.E.P.M. Bary.

JL