Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM2232

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-04-2010
Datum publicatie
23-04-2010
Zaaknummer
09-3060 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant heeft met zijn brieven, waarvan in het bijzonder de ten dele geciteerde laatstgenoemde brief, geen beslissing heeft gevraagd over zijn dienstverband(en) uit 1991. De brief van het college van 7 april 2008 bevat ook niet een dergelijke beslissing. Daarbij merkt de Raad op dat een beslissing betreffende de arbeidsovereenkomst, een rechtshandeling naar burgerlijk recht, niet als een besluit - een schriftelijke beslissing, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling - kan worden aangemerkt. Het tegen de brief van 7 april 2008 gericht bezwaarschrift is dus ook om die reden niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3060 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 mei 2009, 08/4344 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: college)

Datum uitspraak: 15 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2010. Appellant is verschenen en het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.M. Speel, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreid overzicht van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. In 1991 is appellant aanvankelijk bij het Gemeentevervoerbedrijf (hierna: GVB) werkzaam geweest op basis van een arbeidsovereenkomst op grond van de Arbeids-overeenkomstenverordening Amsterdam. Het dienstverband met het GVB is vervolgens gebaseerd op een vaste ambtelijke aanstelling op grond van het Ambtenarenreglement Amsterdam. In 1993 is appellant uit die ambtelijke dienstbetrekking ontslagen. Dit ontslag is in rechte onaantastbaar geworden.

1.2. Bij brief van 17 maart 2008 heeft appellant een vraag gesteld over zijn arbeids-overeenkomst uit 1991. Op 28 maart 2008 heeft hij daarover opnieuw een brief geschreven die eindigt met de zin: “Het rest mij aan u te verzoeken duidelijkheid te verschaffen omtrent de arbeidsovereenkomst teneinde de kwestie als afgedaan te beschouwen.”

2. Bij brief van 7 april 2008 is gereageerd op de onder 1.2 genoemde brieven. Appellant heeft daarop een brief gestuurd aan de rechtbank Amsterdam, sector Bestuursrecht. Die heeft de brief doorgezonden aan het college om deze in behandeling te nemen als bezwaarschrift. Bij beslissing op bezwaar van 29 oktober 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het college het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard wegens termijn-overschrijding.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Zij heeft daartoe enerzijds overwogen dat het bezwaar van appellant ten onrechte is opgevat als een bezwaar tegen een in 1991 genomen besluit. Anderzijds heeft de rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring juist geacht omdat de brief van 7 april 2008 niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat uit die brief geen enkel rechtsgevolg voortvloeit.

4. Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat het college heeft geweigerd “een besluit te nemen over de voortzetting van de arbeidsovereenkomst (primair besluit van januari 1991) c.q. aanstellingsbesluit in de functie van bureau ambtenaar c”. Zijns inziens heeft de rechtbank daarom een onjuiste uitspraak gedaan omdat ingevolge artikel 6:2, onder a, van de Awb de schriftelijke weigering een besluit te nemen, wordt gelijkgesteld met een besluit.

5. De Raad volgt appellant niet. Hij deelt het oordeel van de rechtbank dat appellant met zijn onder 1.2 genoemde brieven, waarvan in het bijzonder de ten dele geciteerde laatstgenoemde brief, geen beslissing heeft gevraagd over zijn dienstverband(en) uit 1991. De brief van het college van 7 april 2008 bevat ook niet een dergelijke beslissing.

Daarbij merkt de Raad op dat een beslissing betreffende de arbeidsovereenkomst, een rechtshandeling naar burgerlijk recht, niet als een besluit - een schriftelijke beslissing, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling - kan worden aangemerkt. Het tegen de brief van 7 april 2008 gericht bezwaarschrift is dus ook om die reden niet-ontvankelijk.

6. Op grond van het bovenstaande komt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7. De Raad ziet tot slot geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K.J. Kraan en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van M. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2010.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M. Koopman.

HD