Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM2220

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-04-2010
Datum publicatie
23-04-2010
Zaaknummer
08-3684 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uit de gegevens van het Uwv alsmede uit andere gedingstukken maakt de Raad op dat appellant over de periode van maart tot juli 1992 een WAO-uitkering heeft ontvangen van meer dan 35% van het wettelijk minimumloon. Ingevolge (...) KB 164 zou derhalve deze periode moeten worden meegenomen als verzekerde periode voor de AOW. De Raad bepaalt dat de periode van maart 1992 tot juli 1992 als verzekerde periode moet worden meegenomen bij de berekening van het AOW-pensioen van appellant met ingang van mei 2007. Hierdoor is er sprake van een niet verzekerde periode van ruim 46 jaar, hetgeen leidt tot een AOW-pensioen van 8% van het volledige pensioen. De hoogte van de tot juli 2006 uitbetaalde toeslag blijft ongewijzigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3684 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], Marokko (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 mei 2008, 06/3073 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 14 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2010. Appellant en de Svb – met bericht van verhindering – zijn hierbij niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, geboren 1 juli 1940 en woonachtig in Marokko, heeft in mei 2005 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) aangevraagd waarbij hij heeft aangegeven dat hij van 1969 tot 1991 bij diverse werkgevers in Nederland heeft gewerkt. Voorts heeft appellant vermeld dat hij in 1991 is geremigreerd naar Marokko en tot juli 2005 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) heeft ontvangen.

1.2. De Svb heeft vervolgens nader onderzoek verricht naar de mogelijke verzekerde tijdvakken van appellant voor de AOW. Hieruit is gebleken dat slechts enkele gewerkte tijdvakken bij Nederlandse werkgevers kunnen worden achterhaald en dat appellant niet ingeschreven is geweest bij een bevolkingsregister in Nederland.

1.3. Bij besluit van 26 oktober 2005 heeft de Svb aan appellant met ingang van juli 2005 een AOW-pensioen toegekend van 10% van het volledige AOW-pensioen omdat hij afgerond 45 jaar niet verzekerd is geweest. Voorts is aan appellant een toeslag op zijn AOW-pensioen toegekend van 12% van de volledige toeslag.

1.4. In bezwaar heeft appellant aangevoerd dat hij veel langer in Nederland heeft gewerkt dan de aangenomen vijf jaar.

1.5. Bij beslissing op bezwaar van 16 mei 2006 heeft de Svb het door appellant tegen het besluit van 26 oktober 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

1.6. Tijdens de procedure bij de rechtbank heeft de Svb een nader onderzoek ingesteld naar de verzekerde tijdvakken van appellant en met name naar de ingangsdatum en hoogte van de aan appellant toegekende WAO-uitkering.

1.7. Onder intrekking van het besluit van 16 mei 2006 heeft de Svb op 5 april 2007 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Hierbij heeft de Svb overwogen dat uit het onderzoek is gebleken dat appellant in Nederland werkzaam is geweest gedurende de periode van 4 mei 1973 tot 26 oktober 1973, 1 juli 1975 tot 2 september 1976, 28 oktober 1985 tot 29 november 1985, 1 tot 4 november 1990 en van 7 januari 1991 tot zijn vertrek uit Nederland op 15 mei 1991. De eerder aangenomen gewerkte periode van 7 januari 1991 tot 28 februari 1994 is niet correct gebleken. De Svb heeft geen verdere gegevens met betrekking tot in Nederland gewerkte perioden kunnen achterhalen. Voor de periode van 6 maart 1991 tot 5 maart 1992 is het aannemelijk dat appellant een Ziektewetuitkering heeft ontvangen. Gedurende die Ziektewetperiode wordt appellant verzekerd geacht. Vervolgens heeft hij een WAO-uitkering ontvangen. Gezien de hoogte van de WAO-uitkering is appellant op grond van het toenmalige Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989, 164 (KB 164), alsmede op grond van het daaropvolgende Besluit van 1 januari 1999, 764 (KB 746) niet verzekerd geacht voor de volksverzekeringen. Dit betekent dat appellant gedurende 47 jaar, 1 maand en twee dagen, afgerond 47 jaar, niet verzekerd is geweest. De in het besluit van 26 oktober 2005 neergelegde vaststelling van tijdvakken van verzekering van appellant was derhalve onjuist. De partner van appellant is voor de berekening van de toeslag afgerond naar beneden 46 jaar niet verzekerd geweest voor de AOW.

De Svb herziet het AOW-pensioen van appellant zonder terugwerkende kracht omdat sprake is van dringende redenen. Dit betekent dat aan appellant met ingang van mei 2007 een AOW-pensioen wordt toegekend van 6% van het volledige AOW-pensioen. In mei 2007 bestond er geen recht meer op toeslag. De hoogte van de tot juli 2006 uitbetaalde toeslag blijft ongewijzigd. Het bezwaar gericht tegen de hoogte van het AOW-pensioen wordt dan ook gegrond verklaard en voor het overige ongegrond.

2. De rechtbank heeft het tegen het besluit van 16 mei 2006 ingestelde beroep van appellant mede gericht geacht tegen het besluit van 5 april 2007. De rechtbank heeft vervolgens het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 16 mei 2006 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep voor het overige ongegrond.

3. In hoger beroep heeft appellant herhaald dat hij veel langere perioden in Nederland heeft gewerkt en dat zijn AOW-pensioen te laag is vastgesteld.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Evenals de rechtbank ziet de Raad geen aanleiding de door de Svb vastgestelde verzekerde tijdvakken op grond van verrichte werkzaamheden in Nederland voor onjuist te houden. De Svb heeft op basis van de door appellant aangeleverde gegevens omtrent zijn arbeidsverleden een zorgvuldig onderzoek ingesteld en niet meer verzekerde arbeidgerelateerde tijdvakken kunnen vaststellen dan in het besluit van 5 april 2007 zijn neergelegd. Raadpleging van de Gemeentelijke Basisadministratie en het schakelregister hebben geen gegevens opgeleverd over mogelijke tijdvakken van verzekering op grond van ingezetenschap. De Ziektewetperiode van 6 maart 1991 tot en met 5 maart 1992 heeft de Svb als verzekerde periode meegenomen.

4.2. Wat betreft de periode vanaf 6 maart 1992 waarin appellant een WAO-uitkering ontving, overweegt de Raad het volgende. Uit de gedingstukken is gebleken dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) desgevraagd aan de Svb informatie heeft verstrekt over de hoogte van de WAO-uitkering van appellant. Het Uwv heeft hierbij medegedeeld dat aan appellant tot juli 1992 een volledige WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% is uitbetaald, maar dat appellant vanaf de aanvang van de uitkering recht had op een WAO-uitkering van 25 tot 35%. Uit deze gegevens alsmede uit andere gedingstukken maakt de Raad op dat appellant over de periode van maart tot juli 1992 een WAO-uitkering heeft ontvangen van meer dan 35% van het wettelijk minimumloon. Ingevolge eerdergenoemd KB 164 zou derhalve deze periode moeten worden meegenomen als verzekerde periode voor de AOW.

4.3. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien en bepaalt dat de periode van maart 1992 tot juli 1992 als verzekerde periode moet worden meegenomen bij de berekening van het AOW-pensioen van appellant met ingang van mei 2007. Hierdoor is er sprake van een niet verzekerde periode van ruim 46 jaar, hetgeen leidt tot een AOW-pensioen van 8% van het volledige pensioen. De hoogte van de tot juli 2006 uitbetaalde toeslag blijft ongewijzigd.

4.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep slaagt en dat het besluit van 5 april 2007 alsmede de aangevallen uitspraak wat betreft de ongegrond verklaring van het beroep tegen dit besluit voor vernietiging in aanmerking komen.

5. De Raad is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het beroep tegen het besluit van 5 april 2007 ongegrond is verklaard;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Vernietigt het besluit van 5 april 2007;

Bepaalt dat aan appellant een AOW-pensioen van 8% van het volledige pensioen dient te worden toegekend;

Bepaalt dat de hoogte van de tot juli 2006 uitbetaalde toeslag ongewijzigd blijft;

Bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

Bepaalt dat de Svb aan appellant het betaalde griffierecht ad € 145,- dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon als voorzitter en H.J. de Mooij en F.A.M. Stroink als leden, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken op 14 april 2010.

(get.) H.J. Simon.

(get.) W. Altenaar.

TM