Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM2212

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-04-2010
Datum publicatie
23-04-2010
Zaaknummer
08-7392 AOW-V
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nu appellant terzake niets heeft aangevoerd en de gedingstukken geen aanknopingspunt bieden voor een andersluidend oordeel, betekent dit dat de termijn voor het indienen van een verzetschrift is overschreden en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7392 AOW-V

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko), (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 september 2008, 07/4452 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb)

Datum uitspraak: 19 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet van 8 oktober 2009 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen de uitspraak van de Raad van 8 oktober 2009 heeft appellant verzet gedaan.

Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 8 maart 2010, waar partijen - de Svb met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 8 oktober 2009 berust op de overwegingen dat het hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.

De Raad ziet zich allereerst, ambtshalve, gesteld voor de vraag naar de ontvankelijkheid van het verzet.

Uit de gedingstukken blijkt dat een afschrift van de uitspraak van de Raad van 8 oktober 2009 bij aangetekende brief van 20 oktober 2009 is verzonden aan het - juiste - adres van appellant. Op 8 december 2009 is die brief bij de Raad terug ontvangen met de mededeling “non reclamé”. Bij brief van eveneens 8 december 2009 heeft de Raad het afschrift van de uitspraak opnieuw aan appellant verzonden. Appellant heeft bij brief van 17 december 2009 verzet gedaan.

Bij brief van 6 januari 2010 heeft de Raad appellant in de gelegenheid gesteld uiteen te zetten waarom het verzetschrift niet eerder dan op 17 december 2009 is ingediend. Appellant heeft daarop niet gereageerd.

Volgens vaste rechtspraak dienen de gevolgen van het niet afhalen of het weigeren van een aangetekende brief in beginsel voor rekening van de geadresseerde te blijven. Nu appellant terzake niets heeft aangevoerd en de gedingstukken geen aanknopingspunt bieden voor een andersluidend oordeel, betekent dit dat de termijn voor het indienen van een verzetschrift is overschreden en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Van een situatie zoals die aan de orde was in de uitspraak van de Raad van 14 juli 2009 (LJN BJ3193), is in dit geval geen sprake.

Het verzet dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet is geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het verzet niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van R. Groothuis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2010.

(get.) T.G.M. Simons.

(get.) R. Groothuis.

KR