Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM2187

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2010
Datum publicatie
26-04-2010
Zaaknummer
09-1163 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Met de rechtbank ziet de Raad geen aanknopingspunten dat de belastbaarheid van appellante in de FML is overschat. De rechtbank wijst in de aangevallen uitspraak met juistheid op de context waarin de bezwaarverzekeringsarts naar het Protocol Aspecifieke lage rugpijn verwijst. De bezwaarverzekeringsarts vermeldt namelijk dat de keurende arts een “voorzichtige” benadering koos door beperkingen voor het verrichten van arbeid aan te nemen, terwijl het protocol aangeeft dat aspecifieke rugklachten niet aan normale belastbaarheid in de weg staan. De bezwaarverzekeringsarts volgt het oordeel van de keurende arts. Niet het protocol, maar het (lichamelijk) onderzoek vormt daarmee de basis voor het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1163 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 7 januari 2009, 08/336 (hierna: de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellante stelde hoger beroep in.

Het Uwv voerde verweer.

De zitting vond plaats op 12 maart 2010. Appellante is niet verschenen. Namens het Uwv verscheen mr. J.H.J. van Gastel.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Het inleidende beroep richt zich tegen het besluit van 22 februari 2008 dat het Uwv ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) nam. Met dat besluit handhaaft het Uwv ondanks het bezwaar van appellante zijn besluit van 25 oktober 2006 tot de beëindiging van haar WAO-uitkering met ingang van 26 december 2006. De reden voor die beëindiging is dat de mate van arbeidsongeschikt-heid van appellante tot minder dan 15% is afgenomen.

2. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.

3. De Raad gaat in zijn beoordeling van de volgende feiten uit.

3.1. Appellante was laatstelijk werkzaam als productiemedewerkster in een koekjesfabriek voor bijna 18 uur per week. Op 12 augustus 2003 meldde zij zich ziek met nek-, schouder- en rugklachten. Het Uwv kende haar per 10 augustus 2004 een WAO-uitkering toe, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

3.2. Op 28 september 2006 is appellante medisch herkeurd en hierbij stelde de arts (chronische) aspecifieke rugklachten bij een lichte scoliose vast. De betrokken arts stelde een zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op waarin hij tot uitdrukking bracht dat appellante is aangewezen op niet te zware, rugsparende arbeid. De bezwaarverzekeringsarts onderschreef op basis van dossierstudie deze FML onder wijziging van een beperkende toelichting.

3.3. Aan de hand van de (gewijzigde) FML selecteerde de bezwaararbeidsdeskundige vier voor appellante geschikte functies.

3.4.1. Met een besluit van 22 maart 2007 verklaarde het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 25 oktober 2006 ongegrond.

3.4.2. Het daartegen gerichte beroep verklaarde de rechtbank met haar uitspraak van 20 december 2007 (07/419) gegrond en zij vernietigde het besluit van 22 maart 2007 met de opdracht aan het Uwv opnieuw op het bezwaar van appellante te beslissen. De rechtbank overwoog daartoe dat de keuring op 28 september 2006 door een niet geregistreerd verzekeringsarts plaatsvond.

3.4.3. Partijen berustten in de uitspraak van 20 december 2007.

3.5. Ter uitvoering van deze uitspraak onderzocht de bezwaarverzekeringsarts appellante op 12 februari 2008. Zij kwam tot dezelfde conclusies als eerder op basis van dossierstudie.

4. In hoger beroep herhaalt appellante als beroepsgrond dat haar belastbaarheid in de FML is overschat. Ter onderbouwing beroept zij zich op een verslag van haar fysiotherapeut. Volgens appellante had het Uwv veel eerder, in 2003 of 2004, die informatie bij haar fysiotherapeut moeten opvragen. Nu het Uwv dat naliet is die informatie verloren gegaan. De bezwaarverzekeringsarts verwijst naar de mening van appellante ten onrechte naar het Protocol Aspecifieke lage rugpijn van de Gezondheidsraad, dat ziet op klachten waarvan de oorzaak niet aanwijsbaar is, want de klachten van appellante hebben als aanwijsbare oorzaak de overbelasting van haar spieren.

5.1. De Raad onderschrijft de aangevallen uitspraak.

5.2.1. Met de rechtbank ziet de Raad geen aanknopingspunten dat de belastbaarheid van appellante in de FML is overschat. Appellante onderbouwde deze beroepsgrond niet met medische informatie.

5.2.2. Als al door tijdsverloop informatie van de appellante behandelende fysiotherapeut verloren is gegaan, dan komt hieraan geen beslissende betekenis toe. Dat betreft immers informatie van een paramedicus uit het verleden, terwijl het bestreden besluit is onderbouwd met een actueel verzekeringsgeneeskundig onderzoek en rapport. De Raad tekent daarbij nog aan dat, anders dan appellante meent, voor het Uwv in 2003 en 2004 een aanleiding ontbrak om gegevens bij de haar behandelende fysiotherapeut op te vragen, omdat hij haar indertijd in de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse indeelde.

5.3. De rechtbank wijst in de aangevallen uitspraak met juistheid op de context waarin de bezwaarverzekeringsarts naar het Protocol Aspecifieke lage rugpijn verwijst. De bezwaarverzekeringsarts vermeldt namelijk dat de keurende arts een “voorzichtige” benadering koos door beperkingen voor het verrichten van arbeid aan te nemen, terwijl het protocol aangeeft dat aspecifieke rugklachten niet aan normale belastbaarheid in de weg staan. De bezwaarverzekeringsarts volgt het oordeel van de keurende arts. Niet het protocol, maar het (lichamelijk) onderzoek vormt daarmee de basis voor het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts.

6. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal de Raad bevestigen.

7. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en R.C. Stam en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) M.A. van Amerongen.

GdJ