Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM2130

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2010
Datum publicatie
23-04-2010
Zaaknummer
08-6389 AW, 08-6433 AW en 09-228 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dubbel hoger beroep. WWeliswaar is aannemelijk dat betrokkene zich soms wat minder correct heeft gedragen maar dat niet is komen vast te staan dat hij zich aan strafwaardig plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt. Dit brengt mee dat de korpsbeheerder niet bevoegd was betrokkene disciplinair te straffen. De rechtbank heeft het primaire besluit niet herroepen en de aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden vernietigd. Voor het overige wordt die uitspraak in stand gelaten. Het hoger beroep van betrokkene slaagt en dat van de korpsbeheerder, aan de bespreking waarvan de Raad niet meer toekomt, slaagt niet.

Wetsverwijzingen
Besluit algemene rechtspositie politie 77
Besluit algemene rechtspositie politie 78
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2010/86
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6389 AW, 08/6433 AW en 09/228 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene) en

de Korpsbeheerder van de politieregio Zeeland (hierna: korpsbeheerder)

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 26 september 2008, 07/1076 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

de korpsbeheerder

Datum uitspraak: 25 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Beide partijen hebben hoger beroep ingesteld.

Beide partijen hebben ook een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft de korpsbeheerder op 24 december 2008 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. N.D. Dane, advocaat te Woerden. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.W.H. van den Berg, werkzaam bij de politieregio Zeeland (hierna: politieregio).

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Bij brief van 15 december 2005 heeft de korpsbeheerder aan betrokkene, die werkzaam was als parketwachter A bij de Regionale Eenheid van de politieregio, het voornemen kenbaar gemaakt hem op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, in samenhang met artikel 78, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politic (Barp) wegens zeer ernstig plichtsverzuim de straf van voorwaardelijk ontslag met een proeftijd van twee jaar op te leggen. Daartoe is aangevoerd dat betrokkene met negatief gedrag een stempel drukt op de afdeling en zich incorrect of niet integer gedraagt. Zo bemoeit betrokkene zich overal ongevraagd mee. Verder valt zijn gedrag naar gedetineerden en tijdens zittingen op alsook zijn grof taalgebruik en zijn rijstijl; hij maakt bijvoorbeeld bij transporten gebruik van de busbaan en samen met zijn snelheid levert dit gevaar op.

Betrokkene zet op ongelegen momenten de televisie (vaak luid) aan om zijn favoriete kookprogramma te bekijken. Voorts legt hij beslag op een bepaalde stoel en een bepaalde computer. Hij draagt onderscheidingstekens van de rang van hoofdagent hoewel hij de rang van surveillant heeft. Ten slotte heeft betrokkene, aldus nog steeds de korps-beheerder, provocerend gedrag vertoond door aan een voormalig groepschef een foto cadeau te doen waarop betrokkene samen met een collega staat voor een winkel die in beeld was gekomen bij een eerder tegen betrokkene verricht disciplinair onderzoek.

1.2. Nadat betrokkene schriftelijk zijn zienswijze hierover had gegeven, heeft de korpsbeheerder hem bij besluit van 22 mei 2006 disciplinair gestraft overeenkomstig voormeld voornemen. Bij het bestreden besluit van 21 mei 2007 heeft de korpsbeheerder dit strafbesluit na door betrokkene gemaakt bezwaar gehandhaafd. De korpsbeheerder is daarbij afgeweken van het advies van de bezwaar- en adviescommissie dat inhield de opgelegde straf om te zetten in een schriftelijke berisping.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, met bepalingen over vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank achtte wel sprake van plichtsverzuim maar was van oordeel dat de korpsbeheerder ten onrechte niet was ingegaan op de algemene situatie bij de parketpolitie te Middelburg en op de vraag of deze gevolgen moest hebben voor de betrokkene op te leggen straf. Voorts heeft de korpsbeheerder ten onrechte niet gemotiveerd waarom hij is afgeweken van het advies van de bezwaar- en adviescommissie.

3. Betrokkene heeft tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld omdat hij het niet eens is met het oordeel van de rechtbank dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het plichtsverzuim dat hem is ten laste gelegd.

De korpsbeheerder heeft in hoger beroep aangevoerd dat de algemene situatie bij de parketpolitie niet van dien aard was dat de opgelegde straf als onevenredig moet worden beschouwd. Het standpunt van de bezwaar- en adviescommissie daarover is niet gestaafd door feiten. Bovendien is de rechtbank er volgens de korpsbeheerder ten onrechte aan voorbijgegaan dat betrokkene al eerder disciplinair is gestraft.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

4.1. Blijkens de gedingstukken is door de korpsbeheerder een intern disciplinair onderzoek ingesteld naar aanleiding van vermeend discriminerende of beledigende uitlatingen van betrokkene richting een collega. Uit dit onderzoek is echter niet gebleken dat betrokkene dergelijke uitlatingen heeft gedaan. Volgens de korpsbeheerder is daaruit wel ander plichtsverzuim van betrokkene naar voren gekomen als onder 1.2 vermeld. De Raad merkt op dat de korpsbeheerder slechts in beperkte mate door het noemen van concrete feiten en omstandigheden heeft verduidelijkt wat dit gestelde plichtsverzuim inhoudt. Dit betekent ook dat betrokkene zich onvoldoende tegen de aantijgingen heeft kunnen verweren. Verder is dit plichtsverzuim kennelijk voornamelijk gebaseerd op verklaringen van de naaste collega van betrokkene mevrouw J die op 14 april 2005 is gehoord. In een schriftelijke verklaring van 4 augustus 2005 trekt J haar eerdere verklaringen min of meer in. Zij stelt dat niets overeind blijft van haar uitspraken over betrokkene. Ten tijde van deze uitspraken was J nog maar kort bij de politieregio in dienst en zag zij zich, naar zij stelt, voor problemen met collega's gesteld die inmiddels zeer goed zijn opgelost. Andere naaste collega's die zijn gehoord maken over het algemeen geen melding van gedragingen van betrokkene als door J op 14 april 2005 aangegeven, of weerspreken dergelijke gedragingen juist. Bepaald van belang is voorts dat de direct leidinggevende van betrokkene in de relevante periode geen gewag maakt van gedragingen van betrokkene als door J aanvankelijk gesteld.

4.2. De Raad overweegt verder dat betrokkene heeft erkend dat hij de hem niet toekomende onderscheidingstekens van hoofdagent heeft gedragen. Dit heeft te maken met het feit dat aan zijn vorige functie de rang van hoofdagent was verbonden. Naar hij onweersproken heeft gesteld, heeft zijn leidinggevende nooit bezwaar gemaakt tegen het dragen van genoemde onderscheidingstekens. Verder was het cadeau doen van een foto aan zijn voormalige groepschef volgens betrokkene een ludieke actie. Het verwijt dat de korpsbeheerder betrokkene maakt van het maken en ten geschenke geven van deze foto houdt verband met (eerder) plichtsverzuim waarvoor betrokkene is berispt. Over dit plichtverzuim en deze berisping is de Raad uit de gedingstukken niets kunnen blijken terwijl ook de gemachtige van de korpsbeheerder hierover ter zitting geen inlichtingen kon verstrekken.

In de gegeven omstandigheden is de Raad van oordeel dat beide laatste gedragingen van betrokkene niet als strafwaardig plichtsverzuim kunnen worden aangemerkt.

4.3. De Raad komt tot de slotsom dat weliswaar aannemelijk is dat betrokkene zich soms wat minder correct heeft gedragen maar dat niet is komen vast te staan dat hij zich aan strafwaardig plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt. Dit brengt mee dat de korpsbeheerder niet bevoegd was betrokkene disciplinair te straffen. Het primaire besluit van 22 mei 2006 moet dan ook worden herroepen. De Raad zal hierin zelf voorzien. Nu de rechtbank dit niet heeft gedaan, dient de aangevallen uitspraak in zoverre te worden vernietigd. Voor het overige wordt die uitspraak in stand gelaten. Het hoger beroep van betrokkene slaagt en dat van de korpsbeheerder, aan de bespreking waarvan de Raad niet meer toekomt, slaagt niet.

5. De Raad stelt vast dat het geding in hoger beroep zich op de voet van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht mede uitstrekt tot het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak gegeven nieuwe besluit van 24 december 2008. Hetgeen onder 4.3 is overwogen brengt met zich dat aan dit besluit de grondslag is komen te ontvallen, zodat ook dit besluit moet worden vernietigd.

6. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding de korpsbeheerder op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 966,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij net primaire besluit van 22 mei 2006 niet is herroepen;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Herroept het besluit van 22 mei 2006;

Vernietigt het besluit van 24 december 2008;

Veroordeelt de korpsbeheerder in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 966,-;

Bepaalt dat de korpsbeheerder aan betrokkene het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 216,- vergoedt;

Bepaalt dat van de korpsbeheerder een griffierecht van € 433,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en G.F. Walgemoed als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2010.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD

Q