Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM2109

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-04-2010
Datum publicatie
23-04-2010
Zaaknummer
08-5477 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag wegens ongeschiktheid voor zijn functie, anders dan uit hoofde van ziekten of gebreken. De bedrijfarts heeft na overleg met de behandelend psychologe geoordeeld dat er voor appellant uit medisch oogpunt geen belemmeringen waren zijn werkzaamheden te hervatten. Appellant heeft zich tegen zijn hersteldverklaring ingaande januari 2005 niet verzet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5477 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 augustus 2008, 07/5055 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oud-West van de gemeente Amsterdam (hierna: dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 15 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J. Jonk, gemachtigde. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zwagerman, juridisch adviseur.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was vanaf 1 juni 2002 werkzaam in de functie van senior medewerker beheer bij de afdeling Vastgoed & Bedrijven van de sector Bouwen, Wonen & Economie van het stadsdeel Oud-West van de gemeente Amsterdam.

1.2. Op 15 april 2004 heeft appellant een gesprek met zijn nieuwe leidinggevende S gehad waarin hij klaagde over de werkdruk en S hem voorhield dat hij een aantal werkzaamheden niet naar behoren verrichtte; een deel van de taken van appellant is overgeheveld naar anderen.

Op 20 april 2004 heeft opnieuw een gesprek over het disfunctioneren van appellant plaats gevonden tussen appellant en S. Volgens het van dit gesprek opgemaakte verslag heeft appellant erkend“ dat hij de baan op dit moment niet meer aan kan.”. Naar appellant later heeft aangegeven is deze vermelding niet juist en heeft hij slechts gezegd moeite met de baan te hebben.

1.3. Bij besluit van 19 november 2004 is appellant ontheven uit zijn functie van senior medewerker beheer. Als reden is daarvoor opgegeven dat appellant zijn taken en verantwoordelijkheden ondanks een substantiële vermindering daarvan niet zonder begeleiding heeft kunnen uitvoeren. Bovendien is de kwaliteit van het geleverde werk onvoldoende. Opgemerkt wordt verder dat appellant gedurende maximaal een jaar bij het zoeken van een andere betrekking op kosten van het stadsdeel zal worden begeleid door een outplacementbureau. Als appellant deze betrekking per 1 december 2005 nog niet heeft gevonden zal hij met toepassing van artikel 1122, eerste lid, aanhef en onder c, van het Ambtenarenreglement Amsterdam (ARA) worden ontslagen. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.

1.4. In het kader van re-integratie na (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid heeft het dagelijks bestuur appellant in januari 2005 de (tijdelijke) functie van financieel-administratief medewerker bij de afdeling Financiën aangeboden. Appellant heeft dit aanbod evenwel afgeslagen omdat het volgens hem om geestdodend werk ging. Nadat het dagelijks bestuur het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) om een second opinion had gevraagd en het Uwv genoemde functie als passend voor appellant had beoordeeld, heeft appellant zich in april 2005 alsnog bereid verklaard die functie te vervullen. De functie was toen echter al aan een ander toegewezen.

1.5. In april 2005 is met instemming van appellant het outplacementtraject gestart. Begin december 2005 heeft het desbetreffende bureau de begeleiding als niet meer zinvol beëindigd omdat appellant gemaakte afspraken steeds afzegde.

1.6. Vervolgens heeft het dagelijks bestuur appellant bij brief van 16 januari 2006 het voornemen kenbaar gemaakt hem met toepassing van artikel 1122, eerste lid, aanhef en onder c, van het ARA te ontslaan wegens ongeschiktheid voor zijn functie, anders dan uit hoofde van ziekten of gebreken. Nadat appellant zijn zienswijze hierop had gegeven heeft het dagelijks bestuur bij besluit van 8 maart 2006 zijn voornemen ingaande 20 maart 2006 uitgevoerd. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. Naar aanleiding van het verhandelde op de in de bezwaarprocedure gehouden hoorzitting is vanwege het dagelijks bestuur contact opgenomen met de psychologe D die tijdens het outplacement-traject een vijftal gesprekken met appellant had gevoerd. De psychologe D heeft vervolgens met instemming van appellant inlichtingen verstrekt aan de bedrijfsarts. Bij brief van 3 maart 2007 heeft deze bedrijfsarts hierop het dagelijks bestuur van informatie voorzien. Bij het bestreden besluit van 30 oktober 2007 heeft het dagelijks bestuur het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. Blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting betwist appellant niet dat hij bij het stadsdeel niet naar behoren functioneerde maar is hij van mening dat dit het gevolg is van psychische klachten zoals door psychologen vastgesteld.

3.2. Hierover overweegt de Raad dat de bedrijfarts na overleg met de behandelend psychologe Van P-S in december 2004 heeft geoordeeld dat er voor appellant uit medisch oogpunt geen belemmeringen waren zijn werkzaamheden (in januari 2005) te hervatten. Van P-S was in oktober 2004 van mening dat appellant geleidelijk zou kunnen hervatten. Appellant heeft zich tegen zijn hersteldverklaring ingaande januari 2005 niet verzet. Nadien heeft hij zich nimmer meer arbeidsongeschikt gemeld. Appellant heeft zich in april 2005 ook bereid getoond de functie van financieel-administratief medewerker te vervullen en heeft aanvankelijk meegewerkt aan het outplacement-traject. Uit de brief van de bedrijfsarts van 3 maart 2007 in samenhang met de inlichtingen van de psychologe D blijkt niet dat appellant rond de ontslagdatum om medisch-psychische redenen niet in staat was om passend werk te verrichten. De bedrijfsarts vond kennelijk ook geen nader medisch (psychiatrisch) onderzoek noodzakelijk en de Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat dit niet juist is. Onder deze omstandigheden deelt de Raad ook niet de mening van appellant dat de rechtbank een medisch onderzoek door een onafhankelijke deskundige had moeten doen instellen.

3.3. Wat de door appellant in hoger beroep overgelegde verklaring van de psychiater De M van 18 februari 2010 betreft overweegt de Raad dat deze geen stellig oordeel bevat over de oorzaak van het disfunctioneren van appellant. Aan deze verklaring kan dus geen overwegende betekenis worden gehecht.

3.4. Het hoger beroep slaagt niet zodat de aangevallen uispraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en A.J. Schaap als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2010.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) M. Lammerse.

HD