Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM2098

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-04-2010
Datum publicatie
26-04-2010
Zaaknummer
08-2449 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het feitelijk medegebruik van de auto biedt onvoldoende grond om aan te nemen dat appellante daarover ook de beschikkingsmacht had. De Raad neemt daarbij tevens in aanmerking dat noch de onderhoudsfacturen noch de verzekering van de auto op naam van appellante zijn gesteld. Ook de overige gegevens acht de Raad, op zichzelf en in onderlinge samenhang bezien, ontoereikend om de auto tot het vermogen van appellante te rekenen. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit. Nieuw besluit op bezwaar.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 34
Wet werk en bijstand 54
Wet werk en bijstand 58
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2010, 119
USZ 2010/167
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2449 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 5 maart 2008, 07/2846 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Beverwijk (hierna: College)

Datum uitspraak: 6 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.P. Spanjer, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. S.B.J. Hiemstra, advocaat te Haarlem. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C. van Bodegom en M.H. Verhagen, beiden werkzaam bij de gemeente Beverwijk.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellante ontving bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 5 januari 2007 heeft het College de bijstand van appellante ingetrokken met ingang van 9 maart 2004 en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 9 maart 2004 tot en met 30 november 2006 van haar teruggevorderd tot een bedrag van € 33.750,21. Daaraan is ten grondslag gelegd, voor zover hier van belang, dat appellante ten tijde in geding, zonder daarvan melding te maken, feitelijk beschikte over een personenauto van het [merk] met een waarde van ruim boven de grens van het vrij te laten vermogen.

1.2. Bij besluit van 12 maart 2007 heeft het College het tegen het besluit van 5 januari 2007 gemaakte bezwaar, voor zover hier van belang, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen inzake griffierecht en proceskosten - het tegen het besluit van 12 maart 2007 ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voor zover dit betrekking had op de periode van

30 november 2006 tot 5 januari 2007.

3. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft het College bij besluit van 27 maart 2008 aan appellante alsnog bijstand over de periode van 30 november 2006 tot 5 januari 2007 toegekend. Over de daaropvolgende periode is de bijstandsverlening aan appellante ook hervat.

4. In hoger beroep heeft appellante de uitspraak van de rechtbank gemotiveerd bestreden voor zover deze ziet op de intrekking van de bijstand over de periode van 9 maart 2004 tot en met 29 november 2006 en op de terugvordering.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Ingevolge artikel 34, eerste lid, van de WWB wordt onder vermogen verstaan de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden.

5.2. Naar vaste rechtspraak van de Raad mag voor de toepassing van de WWB in het geval dat een kenteken van een auto op naam van een betrokkene staat geregistreerd, behoudens toereikend tegenbewijs, worden aangenomen dat die auto een bestanddeel vormt van het vermogen, waarover de betrokkene beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Het geschil heeft zich toegespitst op de vraag of de onder 1.1 bedoelde auto van het [merk], [model], met kenteken [kenteken] en aangeschaft voor een bedrag van € 34.587,-- tot het vermogen van appellante moet worden gerekend. De Raad stelt vast dat de bewuste auto in het geheel niet op naam van appellante geregistreerd is geweest. Aan de orde is derhalve of uit de overige beschikbare gegevens kan worden afgeleid dat de betreffende auto - niettemin - tot het vermogen van appellante moet worden gerekend.

5.3. Anders dan de rechtbank acht de Raad daarvoor onvoldoende feitelijke grondslag aanwezig. Appellante heeft weliswaar erkend dat zij, evenals anderen, de betreffende auto ten tijde in geding heeft gebruikt, maar het feitelijk medegebruik van de auto biedt op zich genomen onvoldoende grond om aan te nemen dat appellante daarover ook de beschikkingsmacht had. De Raad neemt daarbij tevens in aanmerking dat noch de onderhoudsfacturen noch de verzekering van de auto op naam van appellante zijn gesteld. Ook de overige gegevens acht de Raad, op zichzelf en in onderlinge samenhang bezien, ontoereikend om de auto ten tijde in geding tot het vermogen van appellante te rekenen. Aan de enkele vermelding van het telefoonnummer van appellante op de koopovereenkomst van 16 juni 2003 komt in dat verband geen doorslaggevende betekenis toe nu in diezelfde overeenkomst als koper staat aangeduid [naam F.] (die overigens ter zake niet is gehoord), de leveringsfactuur van 11 maart 2004 is gericht aan [naam Z.] (de partner van [naam F.]) en appellante voor bedoelde vermelding een op voorhand niet ongeloofwaardige verklaring heeft gegeven. Aan de verklaring van [naam Z.], op 29 november 2006 afgelegd ten overstaan van de rechercheurs van de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst kan de Raad evenmin die betekenis toekennen die het College daaraan gehecht wil zien, nu deze verklaring in elk geval op onderdelen aantoonbaar onjuist is gebleken. Daarnaast kan uit de rapportage naar aanleiding van de gemaakte video-opnames van het gebruik van de auto, die ten tijde in geding veelal stond geparkeerd in de nabijheid van de woning van appellante aan de [adres] te [woonplaats], niet een exclusief en frequent gebruik van de auto door appellante worden afgeleid. Tot slot heeft appellante onweersproken gesteld dat de Peugeot op 30 november 2006 weer door Van Zonderen is opgehaald en dat het kenteken met ingang van die datum op een andere naam is gesteld.

5.4. Het voorgaande betekent dat de hier nog aan de orde zijnde intrekking en terugvordering op een ondeugdelijke motivering berusten. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het besluit van 12 maart 2007, voor zover dit ziet op de intrekking van de bijstand over de periode van 9 maart 2004 tot en met 29 november 2006 en op de terugvordering, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen en bepalen dat het College in zoverre een nieuw besluit op bezwaar neemt.

5.5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep slaagt.

6. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Vernietigt het besluit van 12 maart 2007 voor zover dit ziet op de intrekking over de periode van 9 maart 2004 tot en met 29 november 2006 en de terugvordering;

Bepaalt dat het College in zoverre een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--;

Bepaalt dat het College aan appellante het door haar in hoger beroep betaalde griffierecht van € 107,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R.H.M. Roelofs en

E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 april 2010.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

IJ