Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM2077

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-04-2010
Datum publicatie
26-04-2010
Zaaknummer
10-1133 WWB-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter is met de rechtbank van oordeel dat hetgeen verzoeker, overigens zonder onderbouwing met objectiveerbare en verifieerbare gegevens, heeft aangevoerd onvoldoende grond oplevert voor het oordeel dat er gezien de woonsituatie van verzoeker in [plaatsnaam] een noodzaak bestond voor zijn verhuizing naar zijn woning in [woonplaats]. Het College heeft zich dan ook, naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter, terecht op het standpunt gesteld dat de kosten waarvoor verzoeker bijzondere bijstand heeft aangevraagd niet kunnen worden aangemerkt als noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1133 WWB-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

[Verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 december 2009, 09/2638 en 09/2728 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoeker

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College).

Datum uitspraak: 21 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2009. Verzoeker is verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Dinç, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Verzoeker ontvangt vanwege het College vanaf 23 april 2009 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). In verband met een hem op 16 april 2009 toegewezen woning aan [adres] te [woonplaats] heeft verzoeker op 23 april 2009 een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand in de kosten van woninginrichting. In een toelichting op deze aanvraag heeft verzoeker aangegeven dat hij voor zijn verhuizing naar [woonplaats] vanaf 15 oktober 1999 een gemeubileerde kamer huurde aan [adres B] te [plaatsnaam].

1.2. Bij besluit van 28 mei 2009 heeft het College deze aanvraag afgewezen.

1.3. Bij besluit van 23 juli 2009, voor zover van belang, heeft het College het tegen het besluit van 28 mei 2009 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft het College ten grondslag gelegd dat de kosten van woninginrichting niet als noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB kunnen worden aangemerkt.

2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het in bezwaar gehandhaafde besluit van 28 mei 2009, ongegrond verklaard.

3. Verzoeker heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen voor het onderdeel kosten van woninginrichting.

4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij komt in een geval als het onderhavige mede de vraag in beeld of een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal kunnen blijven.

4.2. Voor zover de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening meebrengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.

4.3. Voor een overzicht van het voor dit geding van belang zijnde wettelijke kader verwijst de voorzieningenrechter naar de aangevallen uitspraak. De voorzieningenrechter is met de rechtbank van oordeel dat in de bodemprocedure beoordeeld dient te worden, of de gevraagde kosten van woninginrichting voor verzoeker zijn aan te merken als noodzakelijke kosten.

4.4. In hetgeen verzoeker heeft aangevoerd met betrekking tot zijn woonsituatie ziet de voorzieningenrechter voldoende spoedeisend belang. Verzoeker heeft aangegeven dat de noodzaak van zijn verhuizing van de gemeubileerde kamer in [plaatsnaam] naar zijn huidige woning er onder meer in gelegen was dat hij zich in die kamer niet veilig voelde, daar geen privacy had en dat hij psychische en lichamelijke klachten ondervond door zijn woonsituatie.

4.5. De voorzieningenrechter is vooralsnog met de rechtbank van oordeel dat hetgeen verzoeker, overigens zonder onderbouwing met objectiveerbare en verifieerbare gegevens, heeft aangevoerd onvoldoende grond oplevert voor het oordeel dat er gezien de woonsituatie van verzoeker in [plaatsnaam] een noodzaak bestond voor zijn verhuizing naar zijn woning in [woonplaats]. Het College heeft zich dan ook, naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter, terecht op het standpunt gesteld dat de kosten waarvoor verzoeker bijzondere bijstand heeft aangevraagd niet kunnen worden aangemerkt als noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB.

4.6. Gelet op het vorenstaande acht de voorzieningenrechter het niet in redelijke mate waarschijnlijk dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven. Het verzoek om een voorlopige voorziening komt derhalve niet voor inwilliging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2010.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) N.M. van Gorkum.

IJ