Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM2069

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-04-2010
Datum publicatie
26-04-2010
Zaaknummer
08-5256 AKW + 08-5257 AKW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet als vaststaand kan worden aangenomen dat [naam dochter] gedurende het vierde kwartaal van 2002 tot en met het vierde kwartaal van 2003 onderwijs volgde als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de AKW. De Svb heeft derhalve terecht besloten de aanspraak op kinderbijslag over deze kwartalen te herzien. Voorts is de Raad niet gebleken dat de Svb hierbij het door hem gehanteerde beleid, ten aanzien van herzieningen met terugwerkende kracht ten nadele van een betrokkene, onjuist heeft toegepast. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit. Nieuw besluit op bezwaar over het eerste tot en met derde kwartaal van 2002.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5256 AKW

08/5257 AKW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], Marokko (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 augustus 2008, 07/4597 en 08/2842 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 21 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 23 december 2008 heeft appellant zijn standpunt nader toegelicht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2010. Appellant is daarbij niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y van den Berg.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) ontvangen van de Svb voor zijn dochter [naam dochter], geboren op [in] 1985, over onder meer het eerste kwartaal van 2002 tot en met het vierde kwartaal van 2003. Bij de toekenning van de kinderbijslag is de Svb er kennelijk op grond van zogenoemde schoolverklaringen van uitgegaan dat [naam dochter] toen onderwijs volgde aan het instituut [naam istituut] te [woonplaats]. In 2004 heeft de Svb een onderzoek laten verrichten bij voornoemd instituut door een medewerker van de Nederlandse ambassade in Rabat en toen zou namens het instituut verklaard zijn dat [naam dochter] daar tot 6 oktober 2003 onderwijs heeft gevolgd.

1.2. Medio 2006 is de hiervoor bedoelde medewerker van de Nederlandse ambassade te Rabat ontslagen en vervolgens is in een groot aantal gevallen een heronderzoek verricht. In dit kader heeft in oktober 2006 een nieuw onderzoek plaatsgevonden bij het Instituut [naam istituut] te [woonplaats]. Uit het verslag van dit onderzoek blijkt dat in de administratie van het instituut geen gegevens over [naam dochter] te vinden zijn, dat zij daar onbekend is en dat op de schoolverklaring voor het schooljaar 2002/2003 van 14 oktober 2002 een oud schoolstempel is geplaatst dat na de naams- en statutenwijziging van het instituut in juni 2002 niet meer door het instituut wordt gehanteerd.

1.3. Bij besluit van 31 juli 2007 heeft de Svb bepaald dat appellant vanaf het eerste kwartaal van 2002 alsnog geen aanspraak heeft op kinderbijslag voor [naam dochter], omdat niet vastgesteld kan worden of [naam dochter] toen onderwijs in de zin van de AKW volgde. Bij brief van dezelfde datum heeft de Svb aangekondigd voornemens te zijn de over het eerste kwartaal van 2002 tot en met het vierde kwartaal van 2003 betaalde kinderbijslag ad € 2.829,10 van appellant terug te vorderen en hem een boete op te leggen van € 435,-.

1.4. Bij beslissing op bezwaar van 26 oktober 2007 heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen de herziening van de aanspraak op kinderbijslag ongegrond verklaard. Het bezwaar van appellant gericht tegen het voornemen van de Svb, om de onverschuldigd betaalde kinderbijslag terug te vorderen en een boete op te leggen, heeft de Svb bij beslissing van 8 november 2007 niet-ontvankelijk verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen de beslissingen van 26 oktober 2007 en 8 november 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat [naam dochter] in 2002 en 2003 wel onderwijs heeft gevolgd aan het instituut [naam istituut]. Ter ondersteuning van die stelling heeft hij een verklaring van de oud directeur van dit instituut overgelegd.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Tussen partijen is in hoger beroep slechts in geschil of de Svb terecht de aanspraak op kinderbijslag van appellant voor [naam dochter] heeft herzien over het eerste kwartaal van 2002 tot en met het vierde kwartaal van 2003, op de grond dat niet beoordeeld kan worden of [naam dochter] toen onderwijs in de zin van de AKW volgde.

4.2. De Raad stelt voorop dat op grond van artikel 7, tweede lid, van de AKW voor een kind van 16 of 17 jaar, zoals [naam dochter], slechts aanspraak bestaat op kinderbijslag indien het kind in verband met onderwijs of een beroepsopleiding lessen of stages volgt gedurende gemiddeld ten minste 213 klokuren per kwartaal, dan wel werkloos of arbeidsongeschikt is. Appellant heeft aangevoerd dat [naam dochter] gedurende de in geschil zijnde kwartalen onderwijs volgde in Marokko.

4.3. De Raad stelt allereerst vast dat de gemachtigde van de Svb ter zitting heeft medegedeeld dat het bestreden besluit niet wordt gehandhaafd, voor zover daarbij de aanspraak op kinderbijslag voor [naam dochter] is herzien over het eerste tot en met derde kwartaal van 2002. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit in zoverre niet in stand kunnen blijven. De Svb dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen ten aanzien van deze kwartalen. Daarbij dient te Svb te onderzoeken op grond van welke gegevens toentertijd is besloten kinderbijslag toe te kennen voor [naam dochter]. Indien die toekenning is gebaseerd op een soortgelijke schoolverklaring als de overgelegde schoolverklaring van het instituut [naam istituut] voor het schooljaar 2002/2003, dan is in ieder geval sprake van een verklaring van een toen nog bestaand instituut, die is ondertekend door de daartoe bevoegde directeur. De Svb zal in dat geval meer gegevens dienen aan te dragen die het terugkomen van de toekenning van kinderbijslag over deze kwartalen ten nadele van appellant kunnen rechtvaardigen.

4.4. Ten aanzien van de aanspraak op kinderbijslag voor [naam dochter] over het vierde kwartaal van 2002 tot en met het vierde kwartaal van 2003, stelt de Raad vast dat de Svb de oorspronkelijke toekenning van kinderbijslag heeft gebaseerd op de hiervoor genoemde schoolverklaring over het schooljaar 2002/2003 van 14 oktober 2002. Uit het verslag van het door de Nederlandse ambassade te Rabat ingestelde onderzoek in Marokko blijkt dat die verklaring niet juist kan zijn, nu in oktober 2002 het instituut [naam istituut] niet meer bestond, een andere directeur was benoemd en de gehanteerde schoolstempels niet meer door het nieuwe instituut werden gebruikt. De toekenning van kinderbijslag vanaf het vierde kwartaal van 2002 is derhalve gebaseerd op door appellant overgelegde ondeugdelijke bewijsstukken.

4.5. Door of namens appellant zijn voorts geen bewijsstukken overgelegd, die de resultaten van dit onderzoek weerleggen. De door appellant overgelegde verklaring van de oud directeur van het instituut [naam istituut] van 15 november 2007 heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen, nu de gegevens vermeld in die verklaring vrijwel volledig overeenstemmen met de schoolverklaring van 14 oktober 2002, waarvan hiervoor al is vastgesteld dat die niet juist is.

4.6. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat niet als vaststaand kan worden aangenomen dat [naam dochter] gedurende het vierde kwartaal van 2002 tot en met het vierde kwartaal van 2003 onderwijs volgde als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de AKW. De Svb heeft derhalve terecht besloten de aanspraak op kinderbijslag voor [naam dochter] over deze kwartalen te herzien. Voorts is de Raad niet gebleken dat de Svb hierbij het door hem gehanteerde beleid, ten aanzien van herzieningen met terugwerkende kracht ten nadele van een betrokkene, onjuist heeft toegepast.

4.7. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep slaagt, voor zover betrekking hebbend op het eerste tot en met derde kwartaal van 2002 en dat de aangevallen uitspraak voor het overige voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten, nu van voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit, voor zover betrekking hebbend op de herziening van de aanspraak op kinderbijslag voor [naam dochter] over het eerste tot en met derde kwartaal van 2002;

Bepaalt dat de Svb een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met betrekking tot deze kwartalen;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Bepaalt dat de Svb aan appellant het betaalde griffierecht ad € 146,- dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2010.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) W. Altenaar.

KR