Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM2060

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-04-2010
Datum publicatie
23-04-2010
Zaaknummer
09-3913 ANW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking Anw-uitkering. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellante en [naam K.] ten tijde in geding hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan. Gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3913 ANW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 25 juni 2009, 09/898 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb)

Datum uitspraak: 13 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.A. Schadd, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Schadd. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A.J. Groenendaal, werkzaam bij de Svb.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 1 december 1996 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene Nabestaandenwet (Anw).

1.2. Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellante een gezamenlijke huishouding zou voeren met [naam K.] (hierna: [naam K.]), is door de sociale recherche van de Svb een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verstrekte nabestaandenuitkering. In dat kader is dossieronderzoek gedaan, zijn bij diverse instanties inlichtingen ingewonnen, is één waarneming verricht op het adres [adres A] te [woonplaats] en zijn appellante en [naam K.] verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn vastgelegd in een proces-verbaal, dat is afgesloten op 18 augustus 2006. Op grond van de resultaten van het onderzoek heeft de Svb appellante bij besluit van 18 juli 2006 meegedeeld dat haar uitkering eindigt op 30 juni 2000 op de grond dat zij een gezamenlijke huishouding is gaan voeren.

1.3. Het tegen het besluit van 18 juli 2006 gemaakte bezwaar is bij besluit van 19 maart 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

19 maart 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij stelt zich - kort samengevat - op het standpunt dat zij niet eerder dan 27 januari 2006 een gezamenlijke huishouding met [naam K.] is gaan voeren.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad staat in dit geding voor de beantwoording van de vraag of appellante vanaf juni 2000 een gezamenlijke huishouding met [naam K.] voert.

4.2. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Anw is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.3. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij wijst de Raad er op dat bij de beoordeling van de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang zijn.

4.4. Hoofdverblijf.

4.4.1. In de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente [naam gemeente] staan appellante en [naam K.] beiden ingeschreven op het adres [adres A] te [woonplaats]. Appellante staat sinds maart 1984 op dit adres ingeschreven en [naam K.] sinds 23 juni 2000. Beiden delen één brievenbus. Het adres [adres A] bevindt zich in het woonschepengebied [naam woonschepengebied]. In dit gebied mogen maximaal 14 woonschepen liggen. Daarnaast wordt toegestaan dat per ligplaats naast een woonschip een andere boot, niet zijnde een woonschip (hierna aan te duiden als: bijboot), wordt afgemeerd. Appellante is vanaf 1984 houdster van een ligplaats. Zij had op deze plaats een woonark liggen, genaamd [naam woonark], waaraan een bijboot, het jacht [naam jacht], was afgemeerd. Nadat zij, vanwege de slechte staat van haar woonark, deze heeft moeten laten afvoeren en slopen, heeft zij [naam K.] toestemming gegeven haar ligplaats te gebruiken. Sinds mei 2000 ligt de woonark van [naam K.], genaamd [naam woonark], op de ligplaats van appellante. Aan deze woonark is het jacht van appellante afgemeerd. Appellante kan vanaf haar jacht de vaste wal uitsluitend bereiken door de woonark van [naam K.]. Appellante heeft daartoe een sleutel van de woonark. Uit de verklaringen van [naam K.] blijkt dat appellante voor elementaire voorzieningen als water en elektriciteit op haar jacht van de woonark afhankelijk was en dat zij gebruik maakte van de wasmachine en de douche op de woonark. [naam K.] was, totdat hij in mei 2005 gebruik maakte van de VUT, internationaal vrachtwagenchauffeur en alleen in de weekeinden thuis. Uit zijn verklaringen blijkt dat appellante tijdens zijn afwezigheid van de woonark gebruik mocht maken.

4.4.2. Gelet op de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden komt de Raad tot de conclusie dat de woonark en het jacht niet aangemerkt kunnen worden als twee afzonderlijke wooneenheden, maar moeten worden beschouwd als één woning. Deze conclusie wordt ondersteund door de op 15 juni 2006 door appellante afgelegde verklaring dat zij het merendeel van de tijd dat [naam K.] er niet was op de woonark verbleef en door de eveneens op 15 juni 2006 door [naam K.] afgelegde verklaring dat appellante in de weekeinden op zijn woonark verbleef “zoals het uitkwam” en in de winterperiode indien het te koud was.

4.4.3. Met betrekking tot de door haar afgelegde verklaringen heeft appellante ook in hoger beroep aangevoerd dat het door haar ondertekende proces-verbaal van verhoor van 15 juni 2006 op veel punten onjuistheden bevat en dat grote delen daarvan niet aan haar zijn voorgelezen. Zij stelt tevens dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de wijzigingen die zij en [naam K.] na het verhoor van 15 juni 2006 hebben aangebracht. In dat verband heeft zij er op gewezen dat in de strafzaak het Gerechtshof Arnhem op grond van dezelfde feiten en omstandigheden tot de conclusie is gekomen dat er andere aannemelijke redenen zijn aangevoerd die inhouden dat er geen sprake is geweest van een duurzame gezamenlijke huishouding.

4.4.4. De Raad volgt de stellingen van appellante niet. Volgens vaste rechtspraak kan in het algemeen worden uitgegaan van de juistheid van de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en vervolgens ondertekende verklaring, tenzij sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. Weliswaar heeft appellante bij brief van 19 juni 2006 een nadere verklaring afgelegd en heeft [naam K.] op 20 juni 2006 nader mondeling verklaard, maar deze nadere verklaringen ontkrachten niet de essentie van de op 15 juni 2006 afgelegde verklaringen. De Raad ziet in die nadere verklaringen dan ook onvoldoende grond om te twijfelen aan de juistheid van de eerdere verklaringen met betrekking tot het verblijf van appellante op de woonark van [naam K.].

4.4.5. De omstandigheid dat appellante bij arrest van het Gerechtshof Arnhem van

12 december 2008 is vrijgesproken van het haar ten laste gelegde doet aan het voorgaande niet af. Immers, naar vaste rechtspraak van de Raad is de bestuursrechter in het kader van een bestuursrechtelijke procedure in het algemeen niet gebonden aan het oordeel van de strafrechter, omdat in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander bewijsrecht van toepassing is. De Raad ziet geen bijzondere redenen om hierover in dit geval anders te oordelen.

4.4.6. Gelet op hetgeen onder 4.4.1 tot en met 4.4.5 is overwogen, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat appellante en [naam K.] ten tijde in geding hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.

4.5. Wederzijdse zorg.

4.5.1. Wederzijdse verzorging kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan.

4.5.2. Daarvan uitgaande onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat ten tijde in geding ook aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan. Ook ten aanzien van dit criterium hecht de Raad, evenals de rechtbank, betekenis aan de door appellante en [naam K.] afgelegde verklaringen. Daaruit blijkt dat beiden over en weer bijdroegen in het betalen van de vaste lasten en energiekosten. Appellante verzorgde de hond van [naam K.] als hij niet thuis was, hield de woonark schoon en deed regelmatig de was van [naam K.]. [naam K.] verrichtte klusjes voor appellante en onderhield haar jacht. Met enige regelmaat werd de maaltijd samen genuttigd en deden appellante en [naam K.] samen boodschappen of namen die voor elkaar mee.

4.6. Gelet op het vorenstaande is de Raad met de rechtbank van oordeel dat appellante in juni 2000 een gezamenlijke huishouding is gaan voeren met [naam K.]. Dit betekent, gelet op artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid, van de Anw, dat het recht van appellante op een nabestaandenuitkering op 30 juni 2000 eindigde. De Svb was, nu appellante niet heeft gemeld dat zij een gezamenlijke huishouding is gaan voeren, op grond van artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de Anw gehouden tot intrekking van de Anw-uitkering van appellante. De Raad ziet in hetgeen is aangevoerd geen dringende redenen als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Anw om geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien.

5. Het hoger beroep van appellante slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 april 2010.

(get.) C. van Viegen.

(get.) M. Lammerse.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

mm