Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM2057

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2010
Datum publicatie
23-04-2010
Zaaknummer
09-3370 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing om bij wijze van bijzondere voorziening vergoeding te verlenen van de kosten van verhuizing naar zijn huidige woning. Onbekendheid met wettelijke regelingen kan geen reden vormen voor toekenning met terugwerkende kracht van uitkeringen of voorzieningen. Verzoek te onbepaald geformuleerd om als aanvraag te kunnen aanmerken. Zorgplicht van verweerster strekt naar het oordeel van de Raad niet zover dat verweerster is gehouden een uitkeringsgerechtigde - naast algemene informatie over de Wet in brochures en ander voorlichtingsmateriaal - op eigen initiatief te wijzen op alle (on)mogelijkheden binnen de Wet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3370 WUV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats], Duitsland (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 25 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 14 april 2009, kenmerk BZ 48263, JZ/P60/2009, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2010. Daar is appellant verschenen en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1949, is blijkens de gedingstukken gelijkgesteld met de vervolgde en als zodanig uitkeringsgerechtigde ingevolge de Wet.

1.2. In juni 2008 heeft appellant verweerster verzocht om hem bij wijze van bijzondere voorziening een vergoeding te verlenen van de kosten van zijn verhuizing in augustus 2007 van [plaatsnaam] naar zijn huidige woning in [woonplaats]. Die aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 8 december 2008 op de grond - samengevat - dat de aanvraag niet tijdig is ingediend en er geen aanleiding bestaat om gebruik te maken van de gegeven mogelijkheid daarvan af te wijken. In bezwaar heeft appellant onder meer aangevoerd dat hij pas door een publicatie in het blad “Aanspraak” op de mogelijkheid is gewezen een dergelijke voorziening aan te vragen. Verweerster heeft bij het bestreden besluit het ingediende bezwaar ongegrond verklaard, onder de overweging dat onbekendheid met de Wet geen bijzondere reden is om af te wijken van de ingevolge de Wet geldende regeling.

1.3. In beroep heeft appellant zijn grieven gehandhaafd. Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

2. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden en overweegt als volgt.

2.1. In artikel 21a, eerste lid, van de Wet is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regelen kunnen worden gesteld over, onder meer, de ingangsdatum van voorzieningen als bedoeld in artikel 20 van de Wet. Die algemene maatregel van bestuur is tot stand gebracht bij Besluit van 8 mei 1995, Stb. 1995, 269, onder de benaming Besluit ingangsdatum voorzieningen WUV (hierna: het Besluit). Blijkens artikel 2 van het Besluit gaan vergoedingen in op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag daartoe is ingediend, en kan verweerster van dit uitgangspunt alleen, onder bijzondere omstandigheden, afwijken indien de aanvraag uiterlijk is ingediend vóór het einde van het kalenderjaar volgend op het jaar waarin de kosten zijn gemaakt.

2.2. Uit de systematiek van de Wet en uit de Nota van Toelichting bij het Besluit blijkt dat de wetgever een strikte koppeling heeft gewild tussen ingangsdatum en datum van aanvraag van uitkeringen (artikel 34 van de Wet) en voorzieningen op grond van de Wet, en daarop voor voorzieningen slechts in beperkte mate uitzondering heeft willen toestaan. Verweerster hanteert derhalve terecht ook bij eenmalige voorzieningen als hoofdregel dat aanvragen die worden ingediend ná de maand waarin de kosten zijn gemaakt moeten worden afgewezen.

2.3. Nu de aanvraag van appellant nog wel is ingediend binnen de in artikel 2 van de Regeling gestelde termijn is verweerster in dit geval bevoegd om van de hoofdregel af te wijken. Ter beoordeling van de Raad staat of gezegd moet worden dat verweerster bij afweging van alle omstandigheden in redelijkheid niet heeft kunnen weigeren om van die bevoegdheid gebruik te maken. Die vraag beantwoordt de Raad ontkennend. Hierbij staat voorop dat ook naar vaste rechtspraak van de Raad onbekendheid met wettelijke regelingen geen reden kan vormen voor toekenning met terugwerkende kracht van uitkeringen of voorzieningen.

2.4. De omstandigheid dat appellant in e-mailberichten bij verweerster heeft geïnfor-meerd naar de “haken en ogen” van zijn voorgenomen verhuizing heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen leiden. Niet alleen was het aldus geformuleerde verzoek te onbepaald om als aanvraag te kunnen aanmerken, maar ook blijkt uit de genoemde

e-mailberichten dat het verzoek om informatie in de eerste plaats was gericht op het krijgen van informatie over de eventuele gevolgen van een verhuizing naar het buitenland voor zijn periodieke uitkering. Die informatie heeft verweerster ook verstrekt. De door appellant - ook ter zitting - genoemde zorgplicht van verweerster strekt naar het oordeel van de Raad niet zover dat verweerster is gehouden een uitkeringsgerechtigde - naast algemene informatie over de Wet in brochures en ander voorlichtingsmateriaal - op eigen initiatief te wijzen op alle (on)mogelijkheden binnen de Wet.

3. Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden zodat het beroep van appellant ongegrond moet worden verklaard.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2010.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD