Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM2055

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2010
Datum publicatie
23-04-2010
Zaaknummer
09-2443 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om te worden erkend als burger-oorlogs-slachtoffer in de zin van de Wet en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor, onder meer, een periodieke uitkering. Op grond van de voorhanden gegevens, waaronder met name de aanvraag en het begeleidend rapport, heeft ook de Raad niet kunnen vaststellen dat appellante getroffen is door oorlogsgeweld in de van artikel 2 van de Wet, waarbij mede in aanmerking wordt genomen dat zij heeft verklaard zich weinig te herinneren over de oorlogsjaren. Wel heeft appellante aangegeven dat zij zich weet te herinneren dat Japanners thuis kwamen en zochten naar radiozendapparatuur, maar de Raad onderschrijft het standpunt van verweerster dat deze gebeurtenis niet onder de werking van de Wet kan worden gebracht aangezien de huiszoeking niet tegen appellante persoonlijk was gericht en evenmin gepaard ging met (excessief) geweld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2443 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 25 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 31 maart 2009, kenmerk BZ 8938, JZ/P60/2009, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2010. Daar is appellante verschenen en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren in 1941 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in augustus 2008 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogs-slachtoffer in de zin van de Wet en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor, onder meer, een periodieke uitkering. Appellant heeft haar aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die zij toeschrijft aan haar oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië.

1.2. Bij besluit van 15 januari 2009, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, heeft verweerster op de aanvraag afwijzend beslist. Daartoe is overwogen - kort gezegd - dat niet is aangetoond of voldoende aannemelijk is gemaakt dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet.

2. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden en overweegt als volgt.

2.1. Op grond van artikel 2, eerste lid, onder a, b, d en f, van de Wet wordt - voor zover hier van belang en kort samengevat - onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan: degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 of gedurende de daaraan direct aansluitende periode van ongeregeldheden in het voormalige Nederlands-Indië (de Bersiap-periode) lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen:

- ten gevolge van met de krijgsverrichtingen of ongeregeldheden direct verbonden handelingen of omstandigheden;

- ten gevolge van direct tegen hem gerichte handelingen of maatregelen door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode;

- ten gevolge van confrontatie op jeugdige leeftijd met extreem geweld tegen derden door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode.

2.2. De Raad stelt voorop dat voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer primair de voorwaarde geldt dat de aanvrager direct betrokken is geweest bij oorlogsgeweld in de zin van de Wet voordat verweerster aan een beoordeling van de door de aanvrager gemelde gezondheidsklachten kan toekomen. Verweerster heeft dan ook terecht in de eerste plaats beoordeeld of er bij appellante sprake is geweest van een directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld.

2.3. Op grond van de voorhanden gegevens, waaronder met name de aanvraag en het begeleidend rapport, heeft ook de Raad niet kunnen vaststellen dat appellante getroffen is door oorlogsgeweld in de van artikel 2 van de Wet, waarbij mede in aanmerking wordt genomen dat zij heeft verklaard zich weinig te herinneren over de oorlogsjaren. Wel heeft appellante aangegeven dat zij zich weet te herinneren dat Japanners thuis kwamen en zochten naar radiozendapparatuur, maar de Raad onderschrijft het standpunt van verweerster dat deze gebeurtenis niet onder de werking van de Wet kan worden gebracht aangezien de huiszoeking niet tegen appellante persoonlijk was gericht en evenmin gepaard ging met (excessief) geweld.

2.4. Uit het voorgaande volgt dat de door appellant genoemde omstandigheden niet tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer kunnen leiden. Voor vernietiging van het bestreden besluit bestaat dan ook geen grond, zodat dit besluit in rechte kan standhouden. De Raad merkt nog op dat hiermee zeker niet is miskend dat appellant tijdens de oorlogsjaren moeilijke omstandigheden heeft ervaren. De erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet is echter gebonden aan de in die wet omschreven specifieke gebeurtenissen.

2.5. De Raad ziet nog aanleiding op te merken dat anders dan appellante in beroep en ter zitting naar voren heeft gebracht, de psychische klachten die mogelijkerwijs verband houden met de oorlogservaringen van haar vader en moeder in het kader van de Wet niet in aanmerking kunnen worden genomen.

3. Gezien het voorgaande wordt de onder 2 geformuleerde vraag bevestigend beantwoord, zodat het beroep van appellante ongegrond dient te worden verklaard.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2010.

(get.) G.L.J.M. Stevens.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD