Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM2050

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2010
Datum publicatie
23-04-2010
Zaaknummer
09-3995 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en om toekenning van onder meer de toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet en voorzieningen. De Raad acht het bestreden besluit op grond van de adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. Hierbij laat de Raad wegen dat de arts Maas zeer uitvoerig aandacht heeft besteed aan de door appellante naar voren gebrachte psychische klachten en de gevolgen die deze voor haar hebben in het leven van alledag. Uit die rapportage blijkt dat appellante weliswaar door die klachten wordt geplaagd maar niet dat deze haar in aanmerkelijke mate hinderen in haar feitelijk functioneren. Medische gegevens die op de situatie van appellante een ander licht werpen, zijn niet voorhanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3995 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante], wonende te [woonplaats], Canada (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 25 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het onder dagtekening 5 juni 2009, kenmerk BZ 8973 JZ/S70/2009, door verweerster ten aanzien van haar genomen besluit (hierna: bestreden besluit) ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2010. Appellante is daar niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. In augustus 2008 heeft appellante, geboren in 1938 in het voormalige Nederlands-Indiƫ, bij verweerster een aanvraag ingediend om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en om toekenning van onder meer de toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet en voorzieningen. Deze aanvraag heeft appellante gebaseerd op lichamelijke en psychische klachten, die naar haar mening een gevolg zijn van haar oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indiƫ.

1.2. Verweerster heeft de aanvraag van appellante afgewezen bij besluit van 5 januari 2009, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Overwogen is dat appellante weliswaar is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wet - te weten haar internering in de kampen Kleine Boei, Pension Frederiksz en Wonopringgo te Pekalongan tijdens de naoorlogse Bersiapperiode - maar dat haar daarmee verband houdende psychische klachten niet hebben geleid tot blijvende invaliditeit. Voorts is in aanmerking genomen dat de lichamelijke klachten van appellante, te weten haar gewrichtsklachten, niet gerelateerd kunnen worden aan haar oorlogservaringen, maar duidelijke andere oorzaken hebben.

1.3. In beroep heeft appellante vooral benadrukt dat zij aan haar twee jaar durende internering een niet te genezen oorlogstrauma heeft overgehouden.

2. Ter beantwoording staat de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

2.1. Voorop staat dat met de Wet niet is beoogd een volledige geldelijke compensatie te bieden voor het door betrokkenen ondervonden oorlogsleed. De wetgever heeft gekozen voor een systeem waarbij, binnen bepaalde grenzen, een compensatie wordt verleend voor blijvende invaliditeit die door in de Wet genoemde oorlogscalamiteiten is veroorzaakt. Van zodanige invaliditeit is onder meer sprake wanneer de betrokkene, als gevolg van met het ondervonden oorlogsgeweld verband houdende ziekten of gebreken, in het leven van alledag duidelijk minder functioneert dan gezonde leeftijdgenoten.

2.2. Blijkens de gedingstukken is verweerster van oordeel dat bij appellante geen blijvende invaliditeit in deze zin aanwezig is. Dit oordeel heeft verweerster ontleend aan de adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad, welke adviezen berusten op de resultaten van een op verzoek van verweerster door een van deze geneeskundig adviseurs, de arts A.J. Maas ingesteld medisch onderzoek van appellante. Hierbij is aangegeven dat bij appellante sprake is van een lichte post-traumatische stress stoornis die alleen in de aanpassing aan stressvolle omstandigheden tot geringe tot matige beperkingen heeft geleid. In de overige levenssferen zijn, ondanks enige slaapproblematiek, geen beperkingen geconstateerd. Een duidelijk minder functioneren dan gezonde leeftijdgenoten is daarom niet vastgesteld.

2.3. De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. In de ter beschikking staande medische en andere gegevens heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om aan de juistheid van die adviezen te twijfelen.

Hierbij laat de Raad wegen dat de arts Maas zeer uitvoerig aandacht heeft besteed aan de door appellante naar voren gebrachte psychische klachten en de gevolgen die deze voor haar hebben in het leven van alledag. Uit die rapportage blijkt dat appellante weliswaar door die klachten wordt geplaagd maar niet dat deze haar in aanmerkelijke mate hinderen in haar feitelijk functioneren. Medische gegevens die op de situatie van appellante een ander licht werpen, zijn niet voorhanden.

3. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond bestaat, zodat het ingestelde beroep ongegrond dient te worden verklaard.

4. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2010.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD