Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM2049

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2010
Datum publicatie
23-04-2010
Zaaknummer
09-4399 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor, onder meer, een periodieke uitkering. De Raad is niet gebleken dat appellant persoonlijk direct getroffen is geweest door calamiteiten. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat appellant heeft verklaard dat de beschietingen op enige afstand hebben plaatsgevonden en dat de zuster van appellant heeft verklaard dat zij zich met z’n allen in een schuilkelder bevonden vanwege de beschietingen. De enkele omstandigheid dat een gestelde gebeurtenis past binnen de historische context, is naar vaste rechtspraak van de Raad onvoldoende om te aanvaarden dat sprake is van een individuele en directe betrokkenheid als bedoeld in artikel 2 van de Wet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4399 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats], Indonesië (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 25 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 11 juni 2009, kenmerk BZ 8841, JZ/H60/2009, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2010. Daar is appellant niet verschenen en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1938 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in augustus 2007 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor, onder meer, een periodieke uitkering. Appellant heeft de aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die hij toeschrijft aan zijn oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië.

1.2. Verweerster heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 3 december 2008, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond - samengevat - dat niet is aangetoond of voldoende aannemelijk gemaakt dat appellant getroffen is door oorlogsgeweld in de zin van de Wet.

1.3. In beroep heeft appellant deze opvatting van verweerster bestreden.

2. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden en overweegt als volgt.

2.1. Op grond van artikel 2, eerste lid, onder a, b, d en f, van de Wet wordt - voor zover hier van belang en kort samengevat - onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan:

degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 of gedurende de daaraan direct aansluitende periode van ongeregeldheden in het voormalige Nederlands-Indië (de Bersiap-periode) lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen:

- ten gevolge van met de krijgsverrichtingen of ongeregeldheden direct verbonden handelingen of omstandigheden;

- ten gevolge van direct tegen hem gerichte handelingen of maatregelen door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode;

- ten gevolge van confrontatie op jeugdige leeftijd met extreem geweld tegen derden door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode.

2.2. Appellant heeft in het bijzonder gewezen op het meemaken van beschietingen tijdens de Bersiap-periode in Djokjakarta.

2.3. Bij het door verweerster ingestelde, zorgvuldig te noemen onderzoek, waarbij historische gegevens en de bij verweerster bekende dossiers van familieleden van appellant zijn geraadpleegd en is betrokken de door de zuster van appellant, [naam zuster], nader afgegeven verklaring, is ook de Raad niet gebleken dat appellant persoonlijk direct getroffen is geweest door calamiteiten als vermeld onder 2.1. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat appellant heeft verklaard dat de beschietingen op enige afstand hebben plaatsgevonden en dat de zuster van appellant heeft verklaard dat zij zich met z’n allen in een schuilkelder bevonden vanwege de beschietingen. De enkele omstandigheid dat een gestelde gebeurtenis past binnen de historische context, is naar vaste rechtspraak van de Raad onvoldoende om te aanvaarden dat sprake is van een individuele en directe betrokkenheid als bedoeld in artikel 2 van de Wet.

3. Gezien het voorgaande kan het bestreden besluit in rechte standhouden en dient het beroep van appellante ongegrond te worden verklaard. Daarmee is zeker niet beoogd te miskennen dat appellant tijdens de oorlogsjaren en de Bersiap-periode angstige omstandigheden heeft ervaren. De erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet is echter gebonden aan de in de Wet omschreven gebeurtenissen. Nu van zodanige gebeurtenissen niet is gebleken heeft verweerster terecht de door appellant gestelde psychische gevolgen buiten beschouwing gelaten.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2010.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD