Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM2010

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-04-2010
Datum publicatie
23-04-2010
Zaaknummer
08-7018 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht (meer) op ziekengeld. Op de grond dat appellante geschikt is geacht voor haar eigen werk. De Raad ziet in de beschikbare medische informatie omtrent appellante onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsartsen. Naar aanleiding van de aanvullende gronden in hoger beroep heeft bezwaarverzekeringsarts M. Hoogeboom-Copier op 3 maart 2010 met betrekking tot de vermoeidheidsklachten van appellante aangegeven dat deze niet objectiveerbaar zijn en dat hiervoor ook op as III van de DSM-IV klassificatie een onbekende oorzaak wordt vermeld. Volgens de bezwaarverzekeringsarts vormen deze klachten onvoldoende reden om een (uren)beperking aan te nemen. Naar het oordeel van de Raad hebben de bezwaarverzekeringsartsen in hun rapportages voldoende overtuigend en gemotiveerd aangegeven om welke reden(en) er geen aanleiding is tot het wijzigen van het eerder ingenomen standpunt dat appellante vanaf 20 november 2007 in staat wordt geacht tot het verrichten van haar arbeid. Nu in hoger beroep door appellante geen andersluidende medische gegevens zijn overgelegd, ziet de Raad geen grond om tot een ander oordeel te komen of om een deskundige te benoemen voor het verrichten van nader onderzoek. Mitsdien is de Raad van oordeel dat het Uwv per 20 november 2007 terecht heeft geweigerd aan appellante een (verdere) uitkering ingevolge de ZW te verstrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7018 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 4 november 2008, 08/4216

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.A. Bouwman, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Bouwman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer. Tevens was aanwezig A. Kaya als tolk.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, die laatstelijk werkzaam is geweest als productiemedewerkster, heeft zich vanuit de situatie dat zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontving op 21 december 2006 ziek gemeld wegens psychische klachten. Het Uwv heeft vervolgens aan appellante een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2. Appellante is daarna een aantal keren gezien op het spreekuur van de verzekeringsarts P.M. van der Gugten. Op het laatste spreekuur van 19 november 2007 heeft deze verzekeringsarts appellante weer geschikt geacht voor haar maatgevende arbeid. Bij besluit van 19 november 2007 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 20 november 2007 geen recht (meer) heeft op ziekengeld, omdat zij niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van haar arbeid.

1.3. Bij besluit van 9 mei 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 november 2007, onder verwijzing naar de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts A. de Vries van 2 januari 2008, 7 april 2008 en 8 mei 2008 en van de arbeidsdeskundige J. de Jong van 6 mei 2008, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven, met toekenning van vergoeding van griffierecht en proceskosten. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd omdat de gemachtigde van appellante niet in kennis is gesteld van de rapportage van de psychiater Groenendijk, die op verzoek van het Uwv expertise heeft verricht, en hij in strijd met artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in de gelegenheid is gesteld daarop schriftelijk te reageren. De rechtbank heeft evenwel bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven, omdat zij geen aanleiding heeft gezien tot twijfel aan de resultaten van de medische beoordeling door de verzekeringsartsen. In dat verband heeft zij overwogen dat aan de beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts het advies van de door hem geraadpleegde deskundige psychiater Groenendijk ten grondslag ligt, dat berust op zorgvuldig onderzoek en waarvan de conclusies naar behoren medisch zijn onderbouwd. Ten aanzien van de rugklachten en vermoeidheidsklachten heeft de rechtbank overwogen dat deze niet kunnen worden geobjectiveerd, zodat er voor de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding was om aan te nemen dat appellante lichamelijke beperkingen heeft.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het Uwv bij de beoordeling van haar eigen werk, gelet op het tillen van stapels dozen en het feitelijk handelingstempo aan de lopende band, tot een onjuiste conclusie is gekomen. Voorts heeft zij gesteld dat zij forse psychische klachten heeft en dat onvoldoende rekening is gehouden met haar rugklachten.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. Ingevolge artikel 19 van de ZW bestaat recht op ziekengeld indien de verzekerde wegens ziekte of gebrek ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. Onder ‘zijn arbeid’ wordt verstaan het laatstelijk voor de aanvraag van de arbeidsongeschiktheid feitelijk verrichte werk. Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient de ongeschiktheid van een werkloze verzekerde in beginsel te worden beoordeeld naar de laatstelijk voor de aanvang van de werkloosheid feitelijk verrichte arbeid. Bij zijn beoordeling is het Uwv uitgegaan van het laatstelijk door appellante verrichte werk als productiemedewerkster. Blijkens de rapportage van de arbeidsdeskundige De Jong van 6 mei 2008 heeft over de aard en de zwaarte van de werkzaamheden overleg plaatsgevonden met de voormalige werkgever van appellante en is de werkplek onderzocht. Daarbij is geconcludeerd dat het werk volledig machinegebonden was, voorgestructureerd, routinematig met enkelvoudige handelingen en zonder hoge werkdruk of deadlines. Op basis van deze arbeidskundige rapportage, aangevuld met de rapportage van 8 juli 2008, heeft de bezwaarverzekeringsarts appellante geschikt geacht voor dit werk. Het is de Raad niet gebleken dat deze rapportages op basis van onjuiste gegevens tot stand zijn gekomen of anderszins onzorgvuldig moeten worden geacht. Mitsdien is het Uwv naar het oordeel van de Raad terecht uitgegaan van de functie productiemedewerkster als maatstaf arbeid voor appellante.

4.2. De Raad ziet in de beschikbare medische informatie omtrent appellante onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsartsen. Hierbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat bezwaarverzekeringsarts De Vries in zijn rapportage van 7 april 2008 met betrekking tot de psychische belastbaarheid van appellante heeft aangegeven dat de beperkingen, die door de door hem geraadpleegde psychiater Groenendijk zijn vastgesteld, worden overgenomen. Vervolgens heeft hij, na kennisneming van de rapportage van de arbeidsdeskundige De Jong van 6 mei 2008 over de aard en zwaarte van de werkzaamheden, in zijn rapportage van 8 mei 2008 geconcludeerd dat appellante geschikt was te achten voor haar eigen werk. Naar aanleiding van de aanvullende gronden in hoger beroep heeft bezwaarverzekeringsarts M. Hoogeboom-Copier op 3 maart 2010 met betrekking tot de vermoeidheidsklachten van appellante aangegeven dat deze niet objectiveerbaar zijn en dat hiervoor ook op as III van de DSM-IV klassificatie een onbekende oorzaak wordt vermeld. Volgens de bezwaarverzekeringsarts vormen deze klachten onvoldoende reden om een (uren)beperking aan te nemen, terwijl het volgen van een taalcursus daartoe evenmin aanleiding geeft nu appellante daarmee op de datum in geding nog niet was gestart en zo’n cursus ook niet per definitie ’s-avonds gevolgd behoeft te worden. Naar het oordeel van de Raad hebben de bezwaarverzekeringsartsen in hun rapportages voldoende overtuigend en gemotiveerd aangegeven om welke reden(en) er geen aanleiding is tot het wijzigen van het eerder ingenomen standpunt dat appellante vanaf 20 november 2007 in staat wordt geacht tot het verrichten van haar arbeid. Nu in hoger beroep door appellante geen andersluidende medische gegevens zijn overgelegd, ziet de Raad geen grond om tot een ander oordeel te komen of om een deskundige te benoemen voor het verrichten van nader onderzoek. Mitsdien is de Raad van oordeel dat het Uwv per 20 november 2007 terecht heeft geweigerd aan appellante een (verdere) uitkering ingevolge de ZW te verstrekken.

4.3. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

4.4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) I. Mos.

KR