Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM1969

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-04-2010
Datum publicatie
22-04-2010
Zaaknummer
08-4010 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen bijstand wordt verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend en/of de melding bij de Centrale organisatie werk en inkomen heeft plaatsgevonden. Geen sprake van bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4010 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te ’s-Gravenhage (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 juni 2008, 07/8577 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 20 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Schuckink Kool, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Schuckink Kool. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Catakli, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellante ontving tot 8 juni 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Deze uitkering werd beëindigd wegens verblijf buiten de gemeente ’s-Gravenhage. De aanvraag van appellante om bijstand met ingang van 8 juni 2005 in de gemeente Rijswijk is bij besluit van 14 oktober 2005 afgewezen. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante door onjuiste opgave te doen van haar woonadres de inlichtingenverplichting heeft geschonden met als gevolg dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Dit besluit is inmiddels na de uitspraak van de Raad van 27 maart 2007, LJN BA1924, in rechte onaantastbaar geworden. Bij besluit van 24 januari 2006 heeft het College appellante met ingang van 3 november 2005 weer voor bijstand naar de norm voor een alleenstaande in aanmerking gebracht. Tegen dat besluit is geen bezwaar gemaakt.

1.2. Op 24 mei 2007 heeft appellante aan het College verzocht haar alsnog met terugwerkende kracht in aanmerking te brengen voor algemene bijstand over de periode van 8 juni 2005 tot en met 2 november 2005. Bij besluit van 19 juni 2007 heeft het College deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellante tijdens genoemde periode niet stond ingeschreven in de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) van ’s-Gravenhage.

1.3. Bij besluit van 15 oktober 2007 heeft het College het tegen het besluit van 19 juni 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die bijstandsverlening met terugwerkende kracht rechtvaardigen. Nadat tegen dat besluit beroep was ingesteld heeft het College op 28 januari 2008 nogmaals op het bezwaar beslist waarbij de motivering enigszins is aangevuld. De rechtbank heeft deze beslissing mede in de beoordeling betrokken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 15 oktober 2007 niet-ontvankelijk verklaard. Voor zover het beroep mede geacht moest worden gericht te zijn tegen het besluit van 28 januari 2008 heeft de rechtbank het beroep - met bepalingen inzake griffierecht en proceskosten - gegrond verklaard, het besluit van 28 januari 2008 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

3. In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt, ambtshalve, voorop dat de beslissing van 28 januari 2008 in de kern slechts een herhaling vormt van het besluit van 15 oktober 2007 en dus geen nieuwe rechtsgevolgen in het leven roept. De rechtbank heeft dit niet onderkend zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad beoordelen of het besluit van 15 oktober 2007 in rechte stand kan houden. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.2. Naar vaste rechtspraak van de Raad inzake de toepassing van de artikelen 43 en 44 van de WWB wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend en/of de melding bij de Centrale organisatie werk en inkomen heeft plaatsgevonden. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.

4.3. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat zich dergelijke omstandigheden in dit geval niet voordoen. Daartoe overweegt de Raad allereerst dat appellante niet is opgekomen tegen het besluit van het College tot beëindiging van de bijstand per 8 juni 2005 en evenmin tegen zijn besluit tot toekenning van de bijstand met ingang van

3 november 2005. Dat de procedure die appellante omtrent de bijstandsverlening in de tussenliggende periode heeft gevoerd tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rijswijk niet tot een voor haar gunstig eindresultaat heeft geleid, kan als zodanig, mede gelet op de daaraan ten grondslag gelegde motivering, niet als een bijzondere omstandigheid in de onder 4.2 bedoelde zin worden aangemerkt. Het betoog dat appellante achteraf bezien als adresloze zou moeten worden beschouwd en als zodanig door het College alsnog voor bijstand in aanmerking had moeten worden gebracht, volgt de Raad niet, reeds omdat appellante ten tijde in geding stond ingeschreven op het GBA-adres van haar dochter in Rijswijk en zij ook ter zitting van de Raad nog heeft erkend dat zij toentertijd feitelijk geen adresloze was. Dat appellante de dupe zou zijn geworden van een lacune in de wetgeving en dat de gemeente Rijswijk - achteraf bezien - de aanvraag om bijstand destijds aan het College had dienen door te zenden, kan, wat daarvan in het licht van het voorgaande zij, evenmin als een bijzondere omstandigheid gelden die het College ertoe had moeten brengen om bijstand met terugwerkende kracht over de in geding zijnde periode te verlenen. De stelling van appellante dat zij, hoe men het ook wendt of keert, bijstandbehoevend is geweest in de periode in geding kan op zichzelf niet tot een ander oordeel leiden. De Raad laat dan nog daar dat zij de door haar gestelde schulden op geen enkele wijze met objectieve en verifieerbare gegevens heeft onderbouwd.

4.4. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep tegen het besluit van 15 oktober 2007, zoals nader aangevuld bij besluit van 28 januari 2008, ongegrond moet worden verklaard.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak behoudens voor zover daarbij is beslist inzake griffierechten en proceskosten;

Verklaart het beroep ongegrond;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--;

Bepaalt dat het College aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 107,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 april 2010.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

GdJ