Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM1957

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-04-2010
Datum publicatie
22-04-2010
Zaaknummer
08-5279 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Uit de in hoger beroep overgelegde stukken blijkt niet dat deze beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts onjuist is geweest. Het door de huisarts uitgesproken vermoeden van de aanwezigheid bij appellante van de ziekte van Hashimoto betekent niet dat de beperkingen onjuist zijn vastgesteld. Naar het oordeel van de Raad betekent het vermoeden van een diagnose op zichzelf niet dat een bepaling daarvan het gevolg is. Indien zou blijken dat de ziekte van Hashimoto tot meer beperkingen leidt kan daar in het kader van de onderhavige beoordeling, die moet gaan over de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid op 24 juni 2007, geen rekening mee worden gehouden. Geschiktheid geduide functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5279 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 23 juli 2008, 07/1912

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld en zijn nadere stukken in het geding gebracht.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2010. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.J. De Boer, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.O. Diepenbroek.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante ontvangt in verband met chronische vermoeidheid en rugklachten een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschikt-heidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

1.2. In oktober 2006 is appellante in het kader van een herbeoordeling ingevolge het per 1 oktober 2004 geldende Schattingsbesluit gezien door een verzekeringsarts, die op basis van de bevindingen van het eigen onderzoek, heeft vastgesteld dat appellante een duurzaam benutbare restcapaciteit heeft zodat een zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) is opgesteld. In de door deze arts opgestelde FML van 4 december 2006 zijn naast beperkingen op psychisch gebied tevens beperkingen ten aanzien van zware fysieke belasting aangenomen. Uit vervolgens verricht arbeidskundig onderzoek is gebleken dat appellante met haar beperkingen nog in staat moet worden geacht tot het vervullen van bepaalde, aan haar voorgehouden, functies en dat met die functies een zodanig inkomen kan worden verworven dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante moet worden gesteld op 28%. Op basis van deze bevindingen en conclusies heeft het Uwv bij besluit van 23 april 2007 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 24 juni 2007 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

1.3. Appellante heeft tegen het besluit van 23 april 2007 bezwaar gemaakt en daarbij een verklaring van haar fysiotherapeute Kampherbeek overgelegd. Bezwaarverzekeringsarts A. Laros heeft op basis van het eigen onderzoek en de informatie van de fysiotherapeut geconcludeerd dat er geen medische argumenten zijn om af te wijken van het door de primair verzekeringsarts ingenomen standpunt ten aanzien van de belastbaarheid van appellante. Een bezwaararbeidsdeskundige heeft vervolgens geconcludeerd, daarbij gemotiveerd ingaand op hetgeen in bezwaar ten aanzien van de medische geschiktheid van de functies is aangevoerd, dat de belasting in de aan appellante voorgehouden functies binnen de in de FML neergelegde belastbaarheid blijft en dat de eerder vastgestelde arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35% onverminderd van toepassing is. Bij besluit van 25 september 2007 heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2. Appellante heeft tegen het besluit van 25 september 2007 (hierna: het bestreden besluit) beroep ingesteld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard.

2.1. Zij heeft daartoe overwogen dat sprake is geweest van een voldoende diepgaand en zorgvuldig medisch onderzoek en dat de uit dat onderzoek getrokken conclusies op overtuigende wijze zijn onderbouwd. In hetgeen door appellante in beroep is aangevoerd en in de door haar in geding gebrachte medische rapportages heeft de rechtbank geen argumenten gevonden om de medische grondslag van het bestreden besluit onjuist te achten. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts kennis heeft genomen van de in beroep overgelegde medische informatie en in zijn rapport van 18 januari 2008 op onderbouwde wijze geconcludeerd heeft dat deze informatie geen aanleiding geeft om ter zake van de vastgestelde belastbaarheid van het eerder ingenomen standpunt af te wijken. Verder ziet de rechtbank geen aanleiding om het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts met betrekking tot de geclaimde urenbeperking voor onjuist te houden.

2.2. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat in de beschikbare arbeidskundige rapportages voldoende gemotiveerd is waarom de geduide functies, gegeven de daaraan verbonden belasting en de functionele mogelijkheden van appellante, geschikt zijn te achten.

3. In hoger beroep heeft appellante wederom -samengevat- aangevoerd dat haar beperkingen zijn onderschat en dat ten onrechte, gelet op haar energetische klachten, geen zogenoemde urenbeperking is aangenomen. Ter onderbouwing van haar klachten heeft appellante -onder meer- een deel van het medisch journaal van de huisarts overgelegd, waaruit kan worden afgeleid dat door de huisarts de aanwezigheid van de ziekte van Hashimoto wordt vermoed.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad kan zich verenigen met hetgeen in de aangevallen uitspraak is overwogen over de medische grondslag van het bestreden besluit. De Raad onderschrijft de in de aangevallen uitspraak vermelde overwegingen en maakt deze tot de zijne.

4.2. Met betrekking tot de in hoger beroep overgelegde medische stukken merkt de Raad op dat uit de rapporten van zowel de primair verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts van respectievelijk 1 december 2006 en 13 september 2007 blijkt dat appellante geen melding maakt van schildklierproblemen. In de door appellante in beroep overgelegde brief van de huisarts van 19 december 2007 wordt naar het oordeel van de Raad ook bevestigd dat ten tijde hier in geding de schildklierproblematiek niet op de voorgrond stond. Na juli 2006 heeft appellante haar huisarts namelijk niet meer met deze klachten bezocht. De bezwaarverzekeringsarts die, zo blijkt uit zijn rapport van 18 januari 2008, op de hoogte was van de inhoud van deze brief en de daarin genoemde schildklierafwijking, heeft evenmin aanleiding gezien verdergaande beperkingen aan te nemen. Eerst in april 2009 heeft appellante in verband met schildklierklachten haar huisarts bezocht, is een behandeling met medicijnen gestart en is door de huisarts het vermoeden van de ziekte van Hashimoto uitgesproken.

4.3. Naar het oordeel van de Raad blijkt uit het vorenstaande dat de bezwaarverzekeringsarts kennis heeft genomen van eerder genoemde brief van de huisarts en de daarin omschreven schildklierafwijking. Hij heeft daarin echter geen aanleiding gezien zwaardere beperkingen aan te nemen dan reeds in de FML van 4 december 2006 opgenomen. Uit de in hoger beroep overgelegde stukken blijkt niet dat deze beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts onjuist is geweest. Het door de huisarts uitgesproken vermoeden van de aanwezigheid bij appellante van de ziekte van Hashimoto betekent niet dat de beperkingen onjuist zijn vastgesteld. Naar het oordeel van de Raad betekent het vermoeden van een diagnose op zichzelf niet dat een bepaling daarvan het gevolg is. Indien zou blijken dat de ziekte van Hashimoto tot meer beperkingen leidt kan daar in het kader van de onderhavige beoordeling, die moet gaan over de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid op 24 juni 2007, geen rekening mee worden gehouden.

4.4. De Raad is voorts, evenals de rechtbank, van oordeel dat belasting in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in overeenstemming is met de voor appellante vastgestelde belastbaarheid in de FML van 4 december 2006.

4.5. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1. tot en met 4.4. volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2010.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M. Mostert.

IvR