Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM1956

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-04-2010
Datum publicatie
22-04-2010
Zaaknummer
09-4273 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering Wajong-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Niet gebleken van andere of zwaardere (fysieke en psychische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4273 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 15 juli 2009, 08/968

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 21 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld en zijn stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. P.J.K. Reeser, werkzaam bij SRK rechtsbijstand te Zoetermeer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J.C. Röttjers.

II. OVERWEGINGEN

1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Wajong, zoals die luidden tot 1 januari 2010.

2.1. Appellant, geboren op [in] 1989, heeft op 2 november 2006 een aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend.

2.2. Bij besluit van 26 oktober 2007 heeft het Uwv geweigerd appellant met ingang van 28 oktober 2007 een Wajong-uitkering te verstrekken. Bij besluit van 25 februari 2008 (hierna: het bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 oktober 2007 ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

4. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het door de verzekeringsartsen van het Uwv verrichte onderzoek onzorgvuldig is geweest omdat er geen informatie bij de behandelend sector is opgevraagd. Voorts heeft appellant aangevoerd dat hij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen en verwijst daartoe naar de bij brief van

26 februari 2010 ingezonden medische stukken.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. De Raad heeft in hetgeen appellant in hoger beroep ter zake van de medische grondslag van het bestreden besluit heeft gesteld geen grond gevonden om de rechtbank niet te volgen in haar oordeel. Appellant heeft op het aanvraagformulier vermeld dat er sprake is van een gecompliceerde ziekte van Crohn, gewrichtsklachten, buik- en hoofdpijn en chronische vermoeidheid. De verzekeringsarts heeft na spreekuurcontact vastgesteld dat appellant op de eerste arbeidsongeschiktheidsdag en bij het einde van de wachttijd in zijn belastbaarheid beperkt was in verband met de ziekte van Crohn en klachten aan de knieën en enkels. Tevens heeft de verzekeringsarts opgemerkt dat appellant vermoeid kan zijn door een matige opnamefunctie van de dunne darm, maar dat de diagnose chronische vermoeidheidssyndroom achter de hand wordt gehouden door de psycholoog. De bij appellant aanwezig geachte beperkingen zijn vervolgens neergelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). De bezwaarverzekeringsarts heeft na heroverweging in bezwaar geen argumenten gevonden om af te wijken van het oordeel van de verzekeringsarts en daarbij de door appellant ingebrachte brief van internist R.M. Kurk van 12 februari 2008 betrokken. Het opvragen van aanvullende informatie uit de behandelend sector achtte de bezwaarverzekeringsarts niet noodzakelijk, aangezien de medische situatie en diagnose bekend zijn. Met de klachten die appellant als gevolg van de ziekte van Crohn heeft is voldoende rekening gehouden in de FML en de forse moeheidsklachten zoals appellant die ervaart zijn niet toe te schrijven aan enig medische aandoening. Overigens is door de verzekeringsarts al voldoende rekening gehouden met deze moeheidsklachten, aldus de bezwaarverzekeringsarts. Dit oordeel van de bezwaarverzekeringsarts komt de Raad niet onjuist voor. De Raad is uit de in hoger beroep ingebrachte medische stukken van de behandelend sector - voor zover relevant voor de datum in geding - niet gebleken van andere of zwaardere (fysieke en psychische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen.

5.3. Aldus uitgaande van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen is de Raad voorts met de rechtbank van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt.

5.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2010.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M. Mostert.

EF