Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM1938

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-04-2010
Datum publicatie
22-04-2010
Zaaknummer
09-873 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Deugdelijke medische grondslag. Geschiktheid geduide functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/873 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 26 januari 2009, 08/476 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.A. Bart, advocaat te Veenendaal, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bart. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Tiemersma.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 1 oktober 1998 in dienst getreden als grondwerker. Op 1 december 1998 heeft hij zich ziek gemeld met hoofdpijn- en duizeligheidsklachten. Met ingang van 30 november 1999 ontvangt appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

1.2. In verband met een eenmalige herbeoordeling op grond van het per 1 oktober 2004 gewijzigde Schattingsbesluit heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig heronderzoek plaatsgevonden. Naar aanleiding van de uitkomst daarvan heeft het Uwv bij besluit van 19 juli 2007 de uitkering van appellant ongewijzigd vastgesteld naar de mate van 15 tot 25%.

1.3. Bij besluit 8 januari 2008 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 juli 2007 ongegrond verklaard.

2.1. Tegen het besluit van 8 januari 2008 heeft appellant beroep ingesteld. In de loop van de beroepsprocedure heeft het Uwv op 16 december 2008 een nieuw besluit op het bezwaar van appellant genomen, waarbij het bezwaar alsnog gegrond is verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid per 19 juli 2007 is vastgesteld op 25 tot 35% en de uitkering naar die klasse is herzien.

2.2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 8 januari 2008 – onder bepalingen inzake griffierecht en proceskostenvergoeding – niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het (nadere) besluit van 16 december 2008 ongegrond verklaard. Zij heeft, samengevat weergegeven, geen reden gevonden om de door de verzekeringsartsen van het Uwv ingestelde medische onderzoeken niet voldoende zorgvuldig te achten. De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van het Uwv met betrekking tot de medische beperkingen van appellant voldoende is onderbouwd. Voorts is naar het oordeel van de rechtbank ook de arbeidskundige grondslag voldoende onderbouwd.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat hij meer beperkingen heeft dan door het Uwv is aangenomen en dat hij niet in staat is tot het verrichten van arbeid. Hij heeft sedert de uitval voor zijn werk eind 1998 te kampen met toenemende ernstige psychische klachten, waaronder het horen van stemmen, en met hoofdpijnklachten, mogelijk ten gevolge van hersenletsel als gevolg van een bedrijfsongeval in 1998. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft hij verwezen naar de in beroep overgelegde brieven van 6 oktober 2008 en 28 oktober 2008 van de psychiater in opleiding R. Stammes. Bij brief van 9 februari 2010 heeft appellant vervolgens nog een rapport van dezelfde datum van psychiater J. Wiersma in het geding gebracht.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad stelt vast dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak zich uitsluitend richt tegen het oordeel van de rechtbank dat het beroep tegen het besluit van 16 december 2008 ongegrond moet worden verklaard.

4.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische grondslag. De Raad schaart zich achter de overwegingen in de aangevallen uitspraak die de rechtbank ter onderbouwing van dat oordeel heeft gegeven. De medische grondslag van het bestreden besluit is gebaseerd op de conclusies van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts en de door deze laatste vastgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 3 december 2007. Bij het opstellen hiervan is, mede op basis van door de psychiater en huisarts in april 2000, respectievelijk februari 2002 gegeven informatie en eigen onderzoek, rekening gehouden met het bestaan van psychische klachten in de vorm van een geagiteerd depressief beeld met een forse neiging tot somatiseren. Van de door de psychiater in opleiding gemelde psychotische klachten was rond de in geding zijnde datum geen sprake.

4.3. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht, heeft de bezwaarverzekeringsarts in haar bij het verweerschrift van het Uwv gevoegde rapport van 17 maart 2009 uiteengezet dat het, gezien de vele onderzoeken van diverse artsen die appellant na zijn ziekmelding hebben gezien, onder wie een neuroloog, een psychiater en de huisarts, niet aannemelijk is dat sprake is van hersenletsel als gevolg van een ongeval en dat destijds ook geen sprake was van psychotische ontregeling. In haar rapport van 11 februari 2010 heeft de bezwaarverzekeringsarts er naar aanleiding van de door appellant in hoger beroep ingebrachte informatie op gewezen dat de thans door psychiater Wiersma gestelde diagnoses PTSS en somatoforme stoornis NAO goed passen bij het standpunt van het Uwv omtrent de psychische klachten van appellant en dat de informatie het standpunt van het Uwv onderbouwt. Het Uwv ziet in navolging van de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding in hetgeen in hoger beroep is aangevoerd het ingenomen standpunt te wijzigen. De Raad onderschrijft deze conclusie. In het voorgaande ligt besloten dat de Raad geen aanleiding heeft gezien een deskundige te benoemen voor nader onderzoek van appellant, zoals is verzocht.

4.4. In de voorhanden zijnde arbeidskundige rapporten ziet de Raad voorts voldoende steun voor het oordeel dat de belasting in de aan appellant voorgehouden functies zijn belastbaarheid niet te boven gaat en dat deze functies daarmee voor appellant in medisch opzicht geschikt zijn.

4.5. Uit hetgeen onder 4.1, 4.2 en 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende;

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2010.

(get.) C.P.M. van de Kerkhof.

(get.) A.E. van Rooij

EF