Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM1895

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-04-2010
Datum publicatie
22-04-2010
Zaaknummer
07-2176 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht (meer) op ziekengeld. Gelet op arbeidskundige bevindingen onderschrijft de Raad het standpunt van de bva dat het werk voor betrokkene in psychisch opzicht niet dermate belastend was dat hij dit ten tijde in geding vanwege zijn psychische problematiek niet kon verrichten. De Raad is anders dan de rechtbank van oordeel dat de va en bva zich een voldoende beeld hebben gevormd van de ernst van de knieklachten van betrokkene ten tijde in geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2176 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 april 2007, 06/1568 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 21 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Namens betrokkene heeft mr. M.H.J. van Geffen, advocaat te Amsterdam, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2008, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. R.M.H. Rokebrand en betrokkene is verschenen bij gemachtigde mr. Van Geffen.

Na heropening van het onderzoek heeft prof. dr. A.H. Schene, psychiater bij het Academisch Medisch Centrum te Amsterdam, op verzoek van de Raad als deskundige, in samenwerking met M. Ruks, psychiater in opleiding, op 17 september 2009 een rapport uitgebracht, waarop partijen hebben gereageerd.

Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad van 10 maart 2010. Appellant heeft zich daar, met kennisgeving, niet doen vertegenwoordigen. Betrokkene is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van Geffen voornoemd. Tevens was aanwezig H. Arpat als tolk.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene is van 1 oktober 2004 tot en met 31 maart 2005 als sloper/puinruimer in dienst geweest van Finnal Diensten te Zaandam.

Op 29 maart 2005 heeft betrokkene zich wegens klachten van de rechter knie ziek gemeld. Tevens was sprake van spanningsklachten.

1.2. Betrokkene heeft op 13 juli 2005 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts, die hem toen nog onvoldoende belastbaar achtte voor de laatst verrichte werkzaamheden. Op het spreekuur van 15 september 2005 constateerde de verzekeringsarts geen medisch objectiveerbare afwijkingen, die voor betrokkene het verrichten van zijn werk zouden kunnen belemmeren. Betrokkene werd met ingang van 19 september 2005 hersteld verklaard.

2. Bij besluit van 19 september 2005 heeft appellant aan betrokkene meegedeeld dat hij met ingang van 19 september 2005 geen recht (meer) had op ziekengeld.

3. In de bezwaarfase is betrokkene gezien door bezwaarverzekeringsarts L. ten Hove, die mede gelet op door de huisarts van betrokkene verstrekte informatie, geen reden zag om af te wijken van het standpunt van de primaire verzekeringsarts.

4. Bij besluit van 9 februari 2006 (het bestreden besluit) is het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 19 september 2005 ongegrond verklaard.

5. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Naar het oordeel van de rechtbank is het medisch onderzoek dat ten grondslag lag aan het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig geweest en biedt dit onvoldoende motivering voor dit besluit. De rechtbank heeft hierbij verwezen naar een door de bezwaarverzekeringsarts op 16 februari 2007 uitgebracht rapport. Daarin was naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom betrokkene, ondanks een door de Mentrum polikliniek te Amsterdam in een brief van 28 juli 2006 gestelde diagnose – te weten een ernstige depressieve episode met psychotische kenmerken en een posttraumatische stressstoornis – zijn werk zou kunnen verrichten. De overweging van de bezwaarverzekeringsarts dat betrokkene vijf maanden had gewerkt met deze aandoening achtte de rechtbank niet voldoende om dat standpunt te kunnen dragen. Wat betreft de knieklachten heeft de bezwaarverzekeringsarts naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderzocht wat betrokkene had gemotiveerd om af te zien van een operatie.

6. De Raad heeft het volgende overwogen.

6.1. De door de Raad geraadpleegde deskundige heeft in zijn rapport van 17 september 2009 geconcludeerd dat ten tijde van het onderzoek bij betrokkene sprake is van een ernstige depressieve stoornis met vitale kenmerken, en een posttraumatische stress stoornis. De deskundige is verder van mening dat de bij het onderzoek geuite klachten op de datum in geding, 19 september 2005, anamnestisch wel in dezelfde mate aanwezig waren, maar dat er toen mogelijk een minder ernstig depressief beeld bestond dan bij het onderzoek gezien werd.

In aanmerking genomen dat de genoemde klachten op de datum in geding door betrokkene gerapporteerd werden, achtte de deskundige het aannemelijk dat de klachten van betrokkene hem ten tijde in geding in aanzienlijke mate beperkten in zijn werk vanwege problemen in de concentratie, het geheugen en slaapstoornissen en het bestaan van angst.

6.2. In reactie op het rapport van de deskundige heeft bezwaarverzekeringsarts L. ten Hove benadrukt dat het werk van betrokkene vooral fysieke taken betrof en feitelijk als routinematig moet worden beschouwd, zodat een nader arbeidskundig onderzoek aangewezen werd geacht. Een bezwaararbeidsdeskundige heeft vervolgens bij voormeld bedrijf geïnformeerd naar het door betrokkene verrichte werk. Uit een rapport van 16 november 2009 blijkt dat het hierbij gaat om sloop- en opruimwerkzaamheden op verschillende locaties en bouwterreinen en dat het werk in fysiek opzicht belastend was, maar geestelijk weinig inspannend.

6.3. Gelet op voormelde arbeidskundige bevindingen onderschrijft de Raad het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat het werk voor betrokkene in psychisch opzicht niet dermate belastend was dat hij dit ten tijde in geding vanwege zijn psychische problematiek niet kon verrichten. Van belang hierbij is dat de depressie volgens de deskundige ten tijde hier in geding mogelijk minder ernstig was en dat de deskundige deze conclusie heeft getrokken, mede na kennisneming van voormelde brief van Mentrum, waarin de situatie rond 20 september 2005 wordt beschreven. In deze brief wordt gesteld dat destijds sprake was van aanhoudende somberheid, die ondanks gebruik van een antidepressivum geen verbetering te zien gaf, terwijl betrokkene weinig ondernam omdat hij nergens toe kon komen. Dit bezien in het licht van de bevindingen van de verzekeringsarts op 13 juli 2005 en 15 september 2005 kan naar het oordeel van Raad niet worden gezegd dat de ernst van de psychische klachten ten tijde in geding door de (bezwaar)verzekeringsarts is onderschat.

6.4. Op grond van het onder 6.2 vermelde arbeidskundige rapport kan wel worden aangenomen dat het werk als sloper/opruimer kniebelastend was.

De Raad is echter anders dan de rechtbank van oordeel dat de betrokken verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts zich een voldoende beeld hebben gevormd van de ernst van de knieklachten van betrokkene ten tijde in geding. De Raad wijst in dit verband op een rapportage van 12 april 2007 van bezwaarverzekeringsarts L. ten Hove die heeft opgemerkt dat de behandelend orthopedisch chirurg in een brief van 22 maart 2005 geen diagnose heeft gesteld maar slechts een verdenking van een meniscuslaesie had, waarvoor verder onderzoek door middel van een arthroscopie nodig was. Betrokkene heeft dit voor 9 juni 2005 afgesproken onderzoek blijkens een brief van de orthopedisch chirurg afgezegd, omdat de klachten waren verdwenen. In aanmerking genomen dat op het spreekuur van de verzekeringsarts van 15 september 2005 en dat van de bezwaarverzekeringsarts van 22 november 2005 geen duidelijke afwijkingen aan de knie zijn gevonden, is de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts dat er geen reden was om hier een beperking aan te nemen naar het oordeel van de Raad verantwoord.

De Raad ziet dan ook geen reden voor een nader onderzoek op orthopedisch gebied.

6.5. De Raad is op grond van hetgeen is overwogen onder 6.1 tot en met 6.4 tot de conclusie gekomen dat betrokkene terecht en op goede gronden met ingang van 19 september 2005 niet langer ongeschikt is geacht voor zijn arbeid.

7. De aangevallen uitspraak moet dan ook worden vernietigd en het inleidend beroep moet ongegrond worden verklaard.

8. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) I. Mos.

KR