Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM1890

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-04-2010
Datum publicatie
22-04-2010
Zaaknummer
08-2985 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op geld waardeerbare activiteiten; markthandel; bewijs. De omstandigheid dat een betrokkene gedurende een zekere periode op een markt of daarmee vergelijkbare plaats, zoals de Beverwijkse Bazaar, een kraam of standplaats huurt, terwijl vanuit die kraam of standplaats handelactiviteiten worden uitgeoefend, rechtvaardigt de vooronderstelling dat de huurder die handelactiviteiten voor eigen rekening en risico verricht of laat verrichten. Het is dan aan de betrokkene om het tegendeel aannemelijk te maken.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 11
Wet werk en bijstand 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2010/154
JWWB 2010, 122
AB 2010/230 met annotatie van R. Stijnen
USZ 2010/173
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2985 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 april 2008, 07/1945 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 20 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.J. Ouderdorp, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ouderdorp en door A.T. Taybe als tolk. Het College heeft zich – zoals vooraf bericht – niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft bijstand ontvangen van 6 april 1997 tot 1 februari 2006 naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van ingekomen informatie van het interventieteam “Beverwijkse Bazaar”, een samenwerkingsverband van de Belastingdienst, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (hierna: DWI), inhoudende dat appellant werkzaamheden heeft verricht op de Beverwijkse Bazaar te Beverwijk is door de DWI onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. Daarbij is dossieronderzoek verricht, is instanties om informatie verzocht en is appellant als verdachte verhoord. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van 18 december 2006 en een proces-verbaal van 20 december 2006.

1.3. Uit het onderzoek is gebleken dat appellant in de periode van 3 januari 2000 tot 14 augustus 2000 in de weekenden één kavel had gehuurd op de Beverwijkse Bazaar en vanaf die datum tot en met 5 oktober 2003 in de weekenden twee kavels. De huurprijs bedroeg aanvankelijk f. 541,-- voor één kraam, later f. 1.140,-- en € 564,-- per maand voor twee kramen. Voorts is gebleken dat appellant vanaf 11 mei 2001 bij de Kamer van Koophandel stond ingeschreven onder de naam [naam M.] en dat deze onderneming in horloges en aanstekers op 28 maart 2002 met terugwerkende kracht tot 15 mei 2001 is beëindigd.

1.4. Op basis van de resultaten van het onder 1.2 genoemde onderzoek heeft het College bij besluit van 17 januari 2007 de bijstand over de periode van 3 januari 2000 tot en met 5 oktober 2003 herzien en een bedrag van € 60.021,46 van appellant en zijn echtgenote teruggevorderd.

1.5. Bij besluit van 19 april 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit

van 17 januari 2007 ongegrond verklaard. Daarbij is het College appellant niet gevolgd in diens stelling dat de handelsactiviteiten werden verricht door de op 22 augustus 1989 geboren zoon van appellant en dat de inkomsten uit die activiteiten dus niet relevant zijn voor de bijstandsverlening. Het College heeft daarentegen aangenomen dat de kramen voor rekening en risico van appellant werden gedreven en dat appellant, door hiervan geen melding aan het College te doen, zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. Omdat appellant geen boekhouding van de handelsactiviteiten heeft kunnen overleggen, kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 20 april 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad is van oordeel dat de omstandigheid dat een betrokkene gedurende een zekere periode op een markt of daarmee vergelijkbare plaats, zoals de Beverwijkse Bazaar, een kraam of standplaats huurt, terwijl vanuit die kraam of standplaats handelactiviteiten worden uitgeoefend, de vooronderstelling rechtvaardigt dat de huurder die handelactiviteiten voor eigen rekening en risico verricht of laat verrichten. Het is dan aan de betrokkene, en gelet op hetgeen onder 1.3 is vastgesteld, in dit geval aan appellant, om het tegendeel aannemelijk te maken.

4.2. Appellant stelt dat zijn zoon, [naam zoon], die in de in geding zijnde periode tussen 11 en 13 jaar oud was, de handelsactiviteiten geheel zelfstandig en voor eigen rekening verrichtte, dat de inkomsten uit die activiteiten derhalve aan zijn zoon moeten worden toegerekend en dat deze inkomsten, gelet op artikel 43, tweede lid, aanhef en onder g, van de Algemene bijstandswet (Abw), niet bij het inkomen van appellant mogen worden meegenomen. De zoon kocht elke zaterdagochtend op krediet speelgoed in bij een Chinese groothandelaar, genaamd [naam groothandelaar], en rekende daarmee ook elke zondagavond af; hij hield er niet meer aan over dan circa € 20,-- per weekend. Appellant heeft ter ondersteuning van zijn stellingen gewezen op zijn eigen verklaringen en die van zijn zoon, die in de bezwaarprocedure als getuige is gehoord, de verklaring van vele kraamhouders op de Beverwijkse Bazaar en op brieven van de coöperatieve vereniging SNB-REACT u.a. (hierna SNB-REACT) van 26 november en 9 december 2002, gericht aan [naam zoon] aangaande merkinbreuk door het verhandelen van speelgoed dat onrechtmatig was voorzien van het merk HELLO KITTY.

4.3. De Raad is van oordeel dat appellant hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat de handelsactiviteiten niet voor zijn rekening en risico kwamen. De verklaring van de kraamhouders is in getypte zin opgezet en vervolgens door vele kraamhouders, de meesten slechts met aanduiding van voornaam en kraamnummer, ondertekend. Deze houdt – voor zover van belang – niet meer in dan dat zij de zoon altijd alleen bij de tafel (kraam) hebben gezien zonder hulp van anderen. Aan deze verklaring komt, gelet op de wijze waarop die is opgesteld en ondertekend en wegens het ontbreken van details en reden van wetenschap, beperkte betekenis toe. Die verklaring sluit ook niet uit dat de zoon de activiteiten voor rekening en risico van appellant verrichtte. De brieven van SNB-REACT laten, indien al doorslaggevende betekenis moet worden toegekend aan de exacte adressering, geen verdere conclusie toe dan dat de zoon van appellant is aangetroffen bij een partij speelgoed die te koop werd aangeboden. De brieven zeggen dus ook niets omtrent de betrokkenheid van appellant. Aan de ontkenningen van appellant zelf omtrent zijn betrokkenheid bij de handelsactiviteiten kan als partijverklaring geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. Aan de verklaring van de zoon kan, noch op zichzelf noch in verbinding met de andere verklaringen en genoemde brieven, de betekenis toekomen dat op grond daarvan aannemelijk zou moeten worden geacht dat niet appellant, maar de zoon geheel voor eigen rekening en risico de handelsactiviteiten verrichtte. Daarbij is van belang dat de zoon ten tijde van het afleggen van deze verklaring nog niet meerderjarig, en dus nog afhankelijk van appellant was en dat deze verklaring innerlijk niet geheel consistent is en evenmin geheel overeenkomt met de verklaringen van appellant, onder meer ten aanzien van de huurbetalingen, het transport van de zoon naar Beverwijk en de aanwezigheid van appellant op de Beverwijkse Bazaar. Daarbij is zonder nadere onderbouwing en bewijs niet geloofwaardig dat een kind van omstreeks twaalf jaar geheel zonder ouderlijk toezicht en betrokkenheid een maandelijkse omzet bestiert die, gelet op de huurprijs van de kavels, de inkoopprijs van de verhandelde goederen en de handelsmarge, het inkomen van het gezin waarvan hij deel uitmaakt ver moet overtreffen.

4.4. Het voorgaande voert tot de conclusie dat appellant niet alleen huurder was van kramen op de Beverwijkse Bazaar, maar ook dat de handelsactiviteiten daar voor zijn rekening en risico kwamen en dat de inkomsten daaruit dus ook aan hem zijn toe te rekenen. Door van de huur van de kavels op de Beverwijkse Bazaar en van de aldaar verrichte handelsactiviteiten en daarmee verworven inkomsten geen melding te maken heeft appellant naar het oordeel van de Raad de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Bij die stand van zaken was het aan hem om aannemelijk te maken dat hij, indien hij wel volledig die verplichting was nagekomen, recht had op (aanvullende) bijstand. Appellant heeft echter geen administratie of boekhouding van die activiteiten en de daaruit ontvangen inkomsten overgelegd. De Raad is van oordeel dat het College op grond hiervan terecht heeft vastgesteld dat het recht op bijstand in de periode in geding niet kan worden vastgesteld.

4.5. De klacht van appellant dat hem een hersteltermijn in de zin van artikel 54, tweede lid, van de WWB had moeten worden gegeven om alsnog aan zijn inlichtingenverplichting te voldoen, faalt nu het College niet met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB de bijstand heeft ingetrokken, maar met toepassing van het derde lid, aanhef en onder a, van dat artikel de bijstand heeft herzien. Uit het voorgaande volgt dat het College daartoe ook bevoegd was. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot herziening gebruik heeft kunnen maken.

4.6. Uit hetgeen onder 4.5 is overwogen vloeit voort dat het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, bevoegd was de als gevolg van de herziening tot een te hoog bedrag verleende bijstand van appellant terug te vorderen. Het College voert het beleid – voor zover hier van belang – dat steeds wordt teruggevorderd, tenzij een wettelijke regeling zich daartegen verzet. Van terugvordering kan voorts worden afgezien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Appellant heeft betoogd dat hij met de terugvordering geen rekening hoefde te houden omdat deze in verband staat met geringe inkomsten van zijn zoon uit een ver verleden. De Raad volgt appellant hierin niet, aangezien, zoals reeds in 4.4 is overwogen, die inkomsten hem zijn toe te rekenen. In hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen in de zin van zijn beleid. Daarin zijn evenmin bijzondere omstandigheden gelegen op grond waarvan het College met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht had dienen af te wijken van dit beleid.

4.7. Het voorgaande voert tot de conclusie dat het hoger beroep faalt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en W.F. Claessens als leden in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 april 2010.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) C. de Blaeij.

EK