Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM1658

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-04-2010
Datum publicatie
22-04-2010
Zaaknummer
08-4962 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering bijstandsuitkering. De aanvraag is terecht afgewezen op de grond dat appellant niet beschikt over een verblijfsvergunning en daarom niet behoort tot de kring van bijstandsgerechtigden. Geen schending van art. 3 EVRM. Het beroep op de art. 13 en 17 van het Europees Sociaal Handvest kan appellant evenmin baten. (LJN AP4680, LJN BG8776 en LJN BI8400).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2010/152
JWWB 2010, 120
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4962 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 11 juli 2008, 07/2364 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het Dagelijks Bestuur van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân (hierna: Dagelijks Bestuur)

Datum uitspraak: 13 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Portier, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 2 maart 2010, waar partijen - zoals bericht - niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is een vreemdeling en heeft de Afghaanse nationaliteit. Hij heeft op 8 december 2000 asiel gevraagd in Nederland. Aan hem is een verblijfsvergunning bepaalde tijd asiel verleend. Bij besluit van 21 oktober 2005 is hem een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd geweigerd. Bij uitspraak van 22 maart 2006 is het daartegen gerichte beroep ongegrond verklaard. Het hoger beroep van appellant tegen deze uitspraak is ongegrond verklaard bij uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State van 28 juli 2006.

1.2. Op 29 augustus 2006 heeft appellant een aanvraag om een verblijfsvergunning gedaan onder meer gebaseerd op de zogenoemde Eenmalige Regeling.

1.3. Op 13 oktober 2006 heeft appellant zich gemeld om een aanvraag om bijstand in te dienen. Bij besluit van 24 oktober 2006 heeft het Dagelijks Bestuur deze aanvraag afgewezen.

1.4. Bij besluit van 8 augustus 2007 heeft het Dagelijks Bestuur het bezwaar tegen het besluit van 24 oktober 2006 gedeeltelijk gegrond verklaard en - onder toekenning van een vergoeding voor in bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand - de aanvraag afgewezen op de grond dat appellant niet beschikt over een verblijfsvergunning en daarom niet behoort tot de kring van bijstandsgerechtigden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 8 augustus 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Anders dan de rechtbank heeft aangenomen was het Dagelijks Bestuur ook bevoegd het primaire besluit van 24 oktober 2006 te nemen, omdat de betreffende gemeenschappelijke regeling al voor de wijziging en uitbreiding die op 16 november 2006 in werking zou zijn getreden, de gemeente [naam gemeente] omvatte, waarin de woonplaats van appellant is gelegen. De grief van appellant inhoudende dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het Dagelijks Bestuur zijn onbevoegdheid ten aanzien van het primaire besluit in bezwaar kon herstellen, kan reeds daarom, wat daar verder ook van zij, niet slagen.

4.2. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WWB heeft iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, gelijkgesteld de hier te lande verblijvende vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), met uitzondering van de gevallen bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Richtlijn 2004/38/EG.

Het derde lid van dit artikel bepaalt - voor zover hier van belang - dat bij algemene maatregel van bestuur hier te lande verblijvende vreemdelingen, anders dan in het tweede lid bedoeld, voor de toepassing van deze wet met een Nederlander gelijk kunnen worden gesteld indien zij, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vw 2000, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onder g of h, van de Vw 2000 en zij voldoen aan die in de algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden.

4.3. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van het Besluit gelijkstelling vreemdelingen WWB, IOAW, IOAZ en WWIK (hierna: het Besluit) wordt voor de toepassing van onder meer de WWB met een Nederlander gelijkgesteld de vreemdeling die, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Vw 2000:

a. voor de beëindiging van dit verblijf een aanvraag heeft ingediend om voortgezette toelating, of

b. binnen de termijn, genoemd in artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000, of buiten die termijn, in geval artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht toepassing heeft gevonden, bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen intrekking van de toelating in de zin van artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Vw 2000.

4.4. Ingevolge artikel 8 van de Vw 2000 heeft - voor zover hier van belang - een vreemdeling in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf:

a. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd (regulier) als bedoeld in artikel 14;

b. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd (regulier) als bedoeld in artikel 20;

c. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd (asiel) als bedoeld in artikel 28;

d. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd (asiel) als bedoeld in artikel 33;

e. als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;

f. in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 14 en 28, terwijl bij of krachtens deze wet dan wel op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist;

g. in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 20 en 33, of tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 14 en 28, of een wijziging ervan, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist;

h. in afwachting van de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist;

l. indien de vreemdeling verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije.

4.5. Appellant betoogt dat hij vanaf 28 augustus 2006, de datum van de indiening van de aanvraag om een verblijfsvergunning op grond van de zogenoemde Eenmalige Regeling en dus ten tijde van het indienen van zijn aanvraag om bijstand, rechtmatig verblijf had in Nederland, en niet eerst vanaf 13 november 2006, zoals het Dagelijks Bestuur en de rechtbank op grond van de vermelding in de Gemeentelijke basisadministratie (hierna: GBA) hebben aangenomen.

4.6. In de IND-werkinstructie nr. 2005/35 (AUB) van de Hoofddirecteur IND van 1 december 2005 is bepaald dat een vreemdeling een (onvolledige) aanvraag om een verblijfsvergunning op grond van de zogenoemde Eenmalige Regeling in Nederland mag afwachten en rechtmatig verblijf heeft in de zin van artikel 8 van de Vw 2000. Hoewel appellant dus in weerwil van de GBA-vermelding gevolgd kan worden in zijn betoog dat hij ten tijde van zijn aanvraag om bijstand rechtmatig verblijf had in Nederland, kan dit hem toch niet baten. Appellant beschikte immers niet over een verblijfsvergunning of een daarmee gelijk te stellen verblijfstitel en behoorde daarom niet tot de vreemdelingen die op grond van artikel 11, tweede lid, van de WWB voor toepassing van die wet met een Nederlander gelijk worden gesteld. Ook indien appellant op grond van de aanvraag van 28 augustus 2006 rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder g, van de Vw 2000 zou hebben gehad, kon hij niet op grond van het derde lid van artikel 11 van de WWB met een Nederlander worden gelijkgesteld. Appellant verkeerde immers in de hier in geding zijnde periode, die loopt van de datum van de aanvraag om bijstand van

13 oktober 2006 tot en met de datum van het primaire besluit van 24 oktober 2006, niet in een van de situaties bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Besluit, omdat hij ten tijde van de aanvraag om een verblijfsvergunning geen rechtmatig verblijf in Nederland had en ook niet (meer) in procedure was aangaande de intrekking van een hem verleende verblijfsvergunning of daarmee gelijk te stellen verblijfstitel. Dat appellant zoals hij stelt vrijwel zeker voor verlening van een verblijfsvergunning in aanmerking kwam, maakte dit niet anders. Het Dagelijks Bestuur en de rechtbank hebben appellant in de in geding zijnde periode terecht niet aangemerkt als behorende tot kring van bijstandsgerechtigden als bedoeld in artikel 11 van de WWB.

4.7. Appellant heeft voorts betoogd dat het niet verlenen van bijstand aan een rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling een inhumane behandeling oplevert en daarom een schending is van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Dit betoog treft geen doel. Op grond van artikel 3 van het EVRM mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke behandelingen of bestraffingen. Niet valt in te zien hoe de in dit geding aan de orde zijnde afwijzing van de aanvraag om bijstand een schending kan opleveren in vorenbedoelde zin.

4.8. Het beroep dat appellant ten slotte heeft gedaan op de artikelen 13 en 17 van het Europees Sociaal Handvest kan hem evenmin baten. De Raad heeft reeds in eerdere uitspraken overwogen (zie onder meer de uitspraken van 18 juni 2004, LJN AP4680, 22 december 2008, LJN BG8776 en 21 mei 2009, LJN BI8400) dat de door appellanten in dit geding aangehaalde bepalingen van het ESH niet eenieder kunnen verbinden in de zin van artikel 94 van de Grondwet. Bij deze vaststelling zijn zowel de bewoordingen als de strekking van deze bepalingen in aanmerking genomen alsmede hetgeen ter zake in algemene zin in de Memorie van Toelichting bij de wetten tot goedkeuring van deze verdragen is opgemerkt. Naar het oordeel van de Raad is in genoemde verdragsartikelen sprake van algemeen omschreven sociale doelstellingen waaruit geen onvoorwaardelijk en nauwkeurig bepaalbaar subjectief recht in de vorm van een (afdwingbare) aanspraak op bijstand valt te ontlenen.

4.9. Het voorgaande voert tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en W.F. Claessens als leden in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 april 2010.

(get.) C. van Viegen.

(get.) M. Lammerse.

mm