Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM1648

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-04-2010
Datum publicatie
22-04-2010
Zaaknummer
08-2754 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Intrekking bijstandsuitkering. 2) Afwijzing bijzondere bijstand voor inrichtingskosten. Beoordelingsperiode. Mede-eigenaar van onroerend goed in Turkije. Schending inlichtingenverplichting. Recht op uitkering niet vast te stellen. Terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2754 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 26 maart 2008, 07/2003 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (hierna: College)

Datum uitspraak: 6 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.M. Strijbosch, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2010. Appellant is, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Linders en drs. N.M.H.A. van Hirtum, beiden werkzaam bij de gemeente Eindhoven.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt vanaf 6 december 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), berekend naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Naar aanleiding van een melding dat appellant in Turkije een woning zou bezitten is door medewerkers van de Nederlandse ambassade in Ankara ter plaatse onderzoek verricht. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een onderzoeksverslag van 26 juli 2006 met enkele bijlagen, waaronder een taxatierapport. De conclusie van dit onderzoek is dat appellant eigenaar is van een pand, bestaande uit drie appartementen waarvan de waarde door een lokale makelaar is getaxeerd op € 35.000,--. Naar aanleiding van dit onderzoeksverslag heeft het College appellant verzocht om een aantal bewijsstukken, waaronder alle afschriften van zijn bankrekeningen vanaf 1 januari 2006 en bewijsstukken inzake twee drinkwaterabonnementen, waarvan in genoemd onderzoeksverslag melding is gemaakt, in te leveren. In reactie op dit verzoek heeft appellant per brief van 3 november 2006 opgegeven dat hij het betreffende pand heeft geërfd van zijn vader en dat hij tezamen met zijn broers en zusters daarvan eigenaar is. Bij dit schrijven heeft appellant een aantal stukken gevoegd, waaronder een kwitantie van bedragen die aan belasting, milieureiniging en waterverbruik voor dit pand zijn betaald en een eigendomsbewijs waaruit blijkt dat appellant en [naam echtgenote], de voormalige echtgenote van appellant, elk voor de helft eigenaar zijn van het pand.

1.3. Bij besluit van 13 december 2006 heeft het College afwijzend beslist op de aanvraag van appellant van 11 september 2006 om bijzondere bijstand voor inrichtingskosten op de grond dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld omdat appellant geen gegevens heeft verstrekt over zijn vermogen. Bij besluit van 14 december 2006 heeft het College de aan appellant toegekende algemene bijstand met ingang van 6 december 2005 ingetrokken, de aan hem toegekende bijzondere bijstand voor de eigen bijdragen voor rechtsbijstand eveneens ingetrokken en de over de periode van 6 december 2005 tot en met 8 oktober 2006 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van in totaal € 6.103,43 van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 5 juni 2007, voor zover hier van belang, heeft het College het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 13 en14 december 2006 ongegrond verklaard. Aan het besluit van 5 juni 2007 heeft het College ten grondslag gelegd dat gelet op de twee drinkwaterabonnementen het vermoeden bestaat dat appellant inkomsten ontvangt uit verhuur van zijn onroerend goed in Turkije en dat die inkomsten mogelijk blijken uit zijn bankafschriften. Aangezien appellant de gevraagde bankafschriften niet heeft overgelegd en geen informatie heeft verstrekt over de drinkwaterabonnementen, heeft hij niet voldaan aan de op hem rustende inlichtingenverplichting als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 5 juni 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Intrekking van bijstand.

4.1.1. De Raad stelt vast dat het College de intrekking van algemene bijstand niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, waaronder zijn uitspraak van 18 juli 2006, LJN AY5142, bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Dit betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 6 december 2005 tot en met 14 december 2006.

4.1.2. Appellant erkent dat hij ten tijde hier van belang mede-eigenaar was van het betreffende onroerend goed in Turkije. Naar de mening van appellant heeft hij binnen zijn mogelijkheden alle gevraagde bewijsstukken overgelegd en kunnen alleen ter plekke de aanvullende bewijsstukken worden verkregen. Appellant heeft aangevoerd dat hem de financiële middelen ontbreken om naar Turkije te reizen om aldaar in het bezit te komen van die aanvullende bewijsstukken.

4.1.3. De Raad is met de rechtbank en het College van oordeel dat appellant in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting niet de door het College verlangde gegevens heeft overgelegd die nodig zijn om te beoordelen of hij wel of geen inkomsten uit verhuur van de betreffende appartementen heeft ontvangen. Voor de stelling van appellant dat het pand wordt bewoond door een bewoner, die in het verleden wel huur heeft betaald, maar die in ruil voor het houden van toezicht en het betalen van de milieuheffing al enkele jaren het pand gratis bewoont, is geen bewijs aangedragen. Daargelaten dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk naar Turkije moet reizen om aldaar de noodzakelijke aanvullende bewijsstukken te verkrijgen en dat hem daartoe de noodzakelijke middelen ontbreken, stelt de Raad vast dat appellant evenmin de gevraagde bankafschriften aan het College heeft verstrekt. Ter zitting van de Raad is van de zijde van het College verklaard dat het gaat om de Nederlandse bankrekening(en) van appellant. Hoewel het de Raad het niet erg waarschijnlijk voorkomt dat de huurder van een pand in Turkije de huur zal betalen door middel van storting op een Nederlandse bankrekening, valt dat ook niet geheel uit te sluiten en had appellant op betrekkelijk eenvoudige wijze zijn standpunt dat dit niet het geval is kunnen aantonen door de bankafschriften te overleggen. Daarbij merkt de Raad op dat appellant niet heeft gesteld dat hij niet over die afschriften beschikte en daarover redelijkerwijs ook niet kon beschikken.

4.1.4. Als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting kan het recht op algemene bijstand ten tijde hier van belang en het recht op bijzondere bijstand niet worden vastgesteld en was het College ingevolge artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd tot intrekking van bijstand over te gaan. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid tot deze intrekking heeft kunnen besluiten.

4.1.5. De Raad stelt vast dat appellant geen zelfstandige grieven heeft aangevoerd tegen de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand, zodat het daartoe stekkende besluit, zoals gehandhaafd bij het besluit van 5 juni 2007, geen nadere bespreking behoeft.

4.2. Afwijzing bijzondere bijstand voor inrichtingskosten.

4.2.1. Zoals hiervoor overwogen onder 4.1.3 en 4.1.4 heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden en kan als gevolg daarvan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Dit geldt eveneens in relatie tot de door appellant gevraagde bijzondere bijstand voor kosten van woninginrichting. Daaruit vloeit tevens voort dat het College bij het besluit van 5 juni 2007 het besluit tot weigering van bijzondere bijstand voor deze kosten op goede gronden heeft gehandhaafd.

4.3. De Raad komt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.F. Bandringa en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 april 2010.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) C. de Blaeij.

SG