Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM1638

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-04-2010
Datum publicatie
22-04-2010
Zaaknummer
09-2102 WWB + 09-4425 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering over meerdere perioden. Na vernietiging door de rechtbank heeft het College ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuw besluit genomen waarin de perioden en het bedrag van terugvordering zijn gewijzigd. Verzwegen werkzaamheden en inkomsten. Aannemelijk geacht dat de betrokkene inkomsten met de overdracht van de auto’s heeft ontvangen of redelijkerwijs heeft kunnen verwerven in de maanden waarin de registraties bij de RDW zijn beëindigd en de transacties zijn verricht (LJN BD6241). Schending inlichtingenverplichting. Ontbreken administratie. Recht niet vast te stellen. Geen bijzondere omstandigheden om af te zien van terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2102 WWB

09/4425 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 5 maart 2009, 07/4551(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem (hierna: College)

Datum uitspraak: 6 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. van Etten, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek heeft ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2010. Appellant is verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door F.S.D. de Gama, werkzaam bij de gemeente Arnhem.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft van 30 maart 1999 tot 30 december 2003 en vanaf 30 december 2004 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), ontvangen die tot 1 maart 2006 was berekend naar de norm voor gehuwden en vanaf die datum naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Bij besluit van 2 oktober 2006 heeft het College de verleende bijstand overde perioden van 1 juni 1999 tot en met 30 november 1999, van 1 januari 2000 tot en met 31 mei 2000, van 1 februari 2001 tot en met 31 oktober 2001, van 1 januari 2002 tot en met 31 januari 2002, van 1 januari 2003 tot en met 31 maart 2003 en van 1 maart 2005 tot en met 31 mei 2006 herzien (lees: ingetrokken) en de gemaakte kosten van bijstand over deze perioden tot een bedrag van € 33.996,04 van appellant teruggevorderd. Het College heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellant niet inzichtelijk heeft gemaakt hoeveel uren hij vanaf 8 december 2005 werkzaam is geweest in café [naam café] en dat appellant vanaf juni 1999 het kenteken van diverse auto’s op zijn naam heeft gehad, waarvan hij geen melding heeft gemaakt en waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.

1.3. Bij besluit van 24 september 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 2 oktober 2006 in zoverre gegrond verklaard dat de bijstand over de maanden juni en november 1999, januari, februari, maart en mei 2000, februari, april en oktober 2001, januari 2002, januari en maart 2003, mei, juni, juli en september 2005 (hierna: de transactiemaanden) wordt ingetrokken, de bijstand over de periode van 20 januari 2006 tot en met 31 mei 2006 wordt herzien op basis van de inkomsten uit arbeid gedurende 15 uur per week bij café [naam café] tegen het minimumloon en het bedrag van de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over de transactiemaanden en laatstgenoemde periode wordt vastgesteld op € 21.773,16.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen inzake vergoeding van proceskosten en griffierecht - het beroep van appellant tegen het besluit van 24 september 2007 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft het standpunt van het College onderschreven dat appellant in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft gehandeld door geen mededeling te doen van de tenaamstelling en transacties van de auto’s en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand over de transactiemaanden, met uitzondering van de maand maart 2003, niet kan worden vastgesteld. Ten aanzien van de maand maart 2003 heeft de rechtbank de stelling van appellant niet onaannemelijk geacht dat hij de betreffende auto louter consumptief heeft gebruikt, aangezien deze auto ruim negen maanden op naam van appellant heeft gestaan en hij op het moment dat de tenaamstelling van deze auto eindigde geen andere auto(’s) tot zijn beschikking had. De rechtbank heeft eveneens het standpunt van het College onderschreven dat appellant in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft gehandeld door geen mededeling te doen van zijn werkzaamheden bij café [naam café] in de periode van 20 januari 2006 tot en met 31 mei 2006, maar is tot het oordeel gekomen dat onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het College dat appellant in die periode daadwerkelijk gedurende vijftien uur per week werkzaam is geweest.

3. Appellant heeft zich, zoals toegelicht ter zitting van de Raad, in hoger beroep uitsluitend gekeerd tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is geoordeeld dat de intrekking van bijstand en de terugvordering van de gemaakte kosten aan bijstand over de transactiemaanden de rechterlijke toets kunnen doorstaan.

4. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het College bij besluit van

27 juli 2009 het bezwaar tegen het besluit van 2 oktober 2006 in zoverre gegrond verklaard dat de bijstand over de transactiemaanden, met uitzondering van de maand maart 2003, (hierna: de resterende transactiemaanden) wordt ingetrokken, de bijstand over de periode van 20 januari 2006 tot en met 31 mei 2006 wordt herzien op basis van de inkomsten uit arbeid gedurende acht uur per week bij café [naam café] tegen het minimumloon en het bedrag van terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over de resterende transactiemaanden en laatstgenoemde periode wordt vastgesteld op € 17.920,42. De Raad merkt dit besluit aan als een besluit dat op grond van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede in de beoordeling moet worden betrokken.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. De Raad stelt vast dat blijkens de kentekenregistratie van de Dienst Wegverkeer (RDW) in de periode van 1 juni 1999 tot en 30 september 2005 24 kentekens op naam van appellant hebben gestaan, veelal meer dan één kenteken tegelijk en het merendeel gedurende korte tijd. Uit deze registratie blijkt dat het om auto’s gaat van negen jaar of ouder, waarvan één auto direct voor de sloop is aangemeld en andere auto’s geruime tijd na de beëindiging van de registratie op naam van appellant bij de sloop zijn aangemeld. De Raad is van oordeel dat het aanbieden van auto’s voor sloop gelijk te stellen is met overdracht aan derden. Zoals de Raad eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 29 november 2005, LJN AU7252 gaat hij ervan uit dat de datum met ingang waarvan een kenteken niet langer op naam van betrokkene staat de datum is waarop een transactie heeft plaatsgevonden.

5.2. Appellant heeft aangevoerd dat hij bij wijze van hobby oude auto’s kocht, die hij vervolgens schoonmaakte en opknapte en weer van de hand deed, maar dat hij ook auto’s heeft weggegeven. Voorts heeft appellant aangevoerd dat zijn bijstandsconsulente tijdens hercontrolegesprekken heeft verteld dat auto’s ouder dan zeven jaar geen invloed hebben op de bijstandsverlening en dat hij tijdens die gesprekken melding heeft gemaakt dat hij voor zijn hobby auto’s had. Volgens appellant kan hem niet worden verweten dat hij geen mededeling heeft gedaan van het bezit van oude auto’s die geen van alle waarde hadden.

5.3. Zoals de Raad inmiddels vaker heeft geoordeeld, waaronder in zijn uitspraak van 30 juni 2008, LJN BD6241, wordt in geval van de hiervoor aangeduide omstandigheden aannemelijk geacht dat de betrokkene inkomsten met de overdracht van de auto’s heeft ontvangen of redelijkerwijs heeft kunnen verwerven in de maanden waarin de registraties bij de RDW zijn beëindigd en de transacties zijn verricht.

5.4. Appellant betwist niet dat in de resterende transactiemaanden de registratie van 16 op zijn naam staande kentekens is beëindigd, waarvan hij aan het College geen opgave heeft gedaan. Naar het oordeel van de Raad moet het appellant redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat het bezit van auto’s van invloed kan zijn op het recht op bijstand. Niet alleen vanwege de waarde die deze auto’s in het economisch verkeer (kunnen) vertegenwoordigen, maar ook vanwege eventuele op geld waardeerbare activiteiten en transacties die met betrekking tot die auto’s plaatsvinden. De stelling van appellant dat bij meerdere auto’s sprake was van consumptief gebruik is niet aannemelijk gemaakt.

5.5. De grief van appellant dat hem, gelet op de hem tijdens heronderzoeken verstrekte informatie, niet kan worden verweten dat hij geen mededeling heeft gedaan van het bezit van oude auto’s die geen waarde hadden, kan niet slagen. In dit verband wijst de Raad op de verklaring die appellants bijstandsconsulente ter zitting van de rechtbank op 29 oktober 2008 heeft afgelegd. Deze bij-standsconsulente heeft uitdrukkelijk verklaard dat tijdens de heronderzoeken altijd wordt gevraagd naar het bezit van auto’s, ongeacht de leeftijd en waarde ervan, en dat alle auto’s worden opgeno-men in het rapportageformulier. Deze consulente was er zeker van dat zij ook aan appellant heeft gevraagd of hij auto’s op zijn naam had staan.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat als gevolg van het schenden van de inlichtingenverplichting en het ontbreken van een administratie van de koop en verkoop van de auto’s het recht op (aanvullende) bijstand over de resterende transactiemaanden niet is vast te stellen. De Raad voegt hieraan toe dat uit het feit dat sprake is van oude auto’s en dat één auto bij de sloop is aangemeld niet afgeleid kan worden dat de transacties geen invloed op de bijstandsverlening (kunnen) hebben.

5.6. Uit 5.5 volgt dat het College bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellant over de resterende transactiemaanden in te trekken. In hetgeen appellant dienaangaande heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College bij afweging van de hierbij rechtstreeks betrokken belangen in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot intrekking van de bijstand over de resterende transactiemaanden.

5.7. Uit hetgeen met betrekking tot de intrekking van bijstand is overwogen volgt dat het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de kosten van de als gevolg van de intrekking ten onrechte verleende bijstand over de resterende transactiemaanden terug te vorderen. Het College heeft gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid tot terugvordering in overeenstemming met de ter zake van terugvordering gehanteerde beleidsregels. Voor de eerst ter zitting van de Raad aangevoerde stelling dat hij door de onderhavige besluitvorming een vaste aanstelling heeft verloren en zodanige psychische problemen heeft gekregen dat hij zich onder behandeling van een psycholoog heeft gesteld, is geen ondersteuning aangevoerd. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat in zijn omstandigheden sprake is van dringende redenen op grond waarvan het College van terugvordering had behoren af te zien. Daarbij tekent de Raad aan dat het College, zoals appellant ter zitting heeft verklaard, nog niet tot invordering is overgegaan. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb van de beleidsregels had moeten afwijken.

5.8. De Raad komt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt voor bevestiging in aanmerking. Het beroep tegen het besluit van 27 juli 2009 moet ongegrond worden verklaard.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 27 juli 2009 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.F. Bandringa en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 april 2010.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) C. de Blaeij.

CVG