Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM1554

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-04-2010
Datum publicatie
22-04-2010
Zaaknummer
09-1168 WAO + 09-3317 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Besluit door de rechtbank vernietigd. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak is een nieuw besluit genomen. Voldoende medische grondslag. De rechtbank heeft eerste besluit terecht vernietigd wegens onvoldoende motivering van de "verborgen beperkingen". Tweede besluit is voorzien van juiste motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1168 WAO + 09/3317 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 12 januari 2009, 07/3409

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft M.J. van Dribbelen-de Wolde, werkzaam bij Flynth adviseurs en accountants te Naaldwijk, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 16 juni 2009 heeft het Uwv een besluit van dezelfde datum overgelegd, welk besluit is genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2010. Appellante is in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Vork.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is in 1993 uitgevallen voor haar werkzaamheden als tandartsassistente wegens klachten van haar rechterschouder. Per einde wachttijd is haar geen uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Met ingang van 10 januari 1996 is aan haar in verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid een WAO-uitkering toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

1.2. In 2007 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante herbeoordeeld. Op basis van de bevindingen en conclusies van een medisch en een arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 13 juni 2007 de WAO-uitkering van appellante ingetrokken per 25 juli 2007 omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van die datum is afgenomen naar minder dan 15%. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. In het kader van de bezwaarschriftprocedure is appellante gehoord en hebben bezwaarverzekeringsarts A.A.W. Haver en bezwaararbeidsdeskundige C. Wouters gerapporteerd op respectievelijk 15 oktober 2007 en 5 november 2007. Bij besluit van 9 november 2007 (hierna: besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 13 juni 2007 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen besluit 1 gegrond verklaard, besluit 1 vernietigd en bepaald dat het Uwv een nieuw besluit zal nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. De rechtbank heeft daartoe - kort weergegeven - overwogen dat zij in hetgeen door appellante in beroep naar voren is gebracht geen aanleiding ziet om het medisch oordeel van het Uwv voor onjuist te houden. Wat de geschiktheid in medisch opzicht van de aan appellante voorgehouden functies betreft, heeft de rechtbank overwogen dat er zogenoemde ‘verborgen beperkingen’ zijn opgenomen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) bij 2.10 (vervoer) en 4.5 (toetsenbord bedienen en muis hanteren). Op deze punten kan, volgens de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 23 februari 2007 (LJN AZ9148), in verband met het ontbreken van een daarop gerichte motivering mogelijk niet worden vastgesteld of de geduide functies door appellante met haar beperkingen uitgeoefend kunnen worden.

2.1. Het Uwv heeft in de aangevallen uitspraak berust. Op 16 juni 2009 heeft het Uwv een nieuw besluit genomen op het bezwaar van appellante (besluit 2). Dit besluit berust op dezelfde medische grondslag als het vernietigde besluit 1, met dien verstande dat de FML is aangepast conform de overwegingen in de aangevallen uitspraak. Het nieuwe besluit gaat er eveneens van uit dat appellante dusdanige beperkingen ondervindt bij het verrichten van arbeid, dat zij haar voormalige functie van tandartsassistente gedurende 40 uur per week niet meer kan vervullen. Appellante is volgens besluit 2 wel geschikt te achten voor werkzaamheden verbonden aan de functies van receptionist, baliemedewerker (Sbc-code 315150), parkeercontroleur (Sbc-code 342022), schadecorrespondent (SBC-code 516080) en reisbureaumedewerker, baliemedewerker reisbureau (SBC-code 516130). Hiertoe heeft de bezwaararbeidsdeskundige R.C. Hooff in zijn rapport van 15 juni 2009 aanvullende toelichtingen gegeven. Bij besluit 2 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 13 juni 2007 wederom ongegrond verklaard.

2.2. Nu met besluit 2 niet volledig is tegemoetgekomen aan het hoger beroep van appellante, zal de Raad dit besluit met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze procedure betrekken.

Ten aanzien van het hoger beroep overweegt de Raad het volgende.

3.1. In hoger beroep heeft appellante gesteld zich niet te kunnen vinden in de aangevallen uitspraak voor zover daarin het oordeel is neergelegd dat er geen aanknopingspunten zijn om het medisch oordeel van het Uwv voor onjuist te houden. Appellante heeft in hoger beroep wederom aangevoerd dat met de FML in onvoldoende mate recht wordt gedaan aan haar klachten. Dit geldt zowel voor de ernstige schouderklachten, als voor (de bijwerkingen van) het medicijngebruik. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft appellante een brief van orthopedisch chirurg R. Veldstra van 4 oktober 2006 in geding gebracht. Appellante heeft de Raad verzocht om een deskundige te benoemen om over haar situatie een onafhankelijk rapport uit te brengen.

3.2. De Raad ziet, evenals de rechtbank, geen grond voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling door de verzekeringsarts. De Raad is van oordeel dat het standpunt van het Uwv over appellantes mogelijkheden tot het verrichten van arbeid op een zorgvuldig medisch onderzoek berust. De Raad merkt in dit verband op dat er bij het vaststellen van de belastbaarheid rekening is gehouden met de schouderklachten en dat ook het (incidentele) gebruik van het medicijn Tramadol bij het Uwv bekend was. De Raad heeft in de beschikbare medische gegevens geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat indien appellante werkzaamheden gaat verrichten die in overeenstemming zijn met de vastgestelde belastbaarheid er redenen zijn om te veronderstellen dat de klachten zullen toenemen. In het licht van het geheel van de omtrent appellante beschikbare gegevens, waaronder de informatie van de behandelend sector en de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts, ziet de Raad geen aanleiding tot het inschakelen van een deskundige zoals door appellante is verzocht.

3.3. Naar het oordeel van de Raad slaagt het hoger beroep van appellante dan ook niet.

Ten aanzien van het beroep tegen besluit 2 overweegt de Raad het volgende.

4.1. De Raad is van oordeel dat het Uwv besluit 2 met de, conform de overwegingen van de rechtbank aangepaste, FML van 10 juni 2009 alsnog van een juiste motivering heeft voorzien. Dit betekent naar het oordeel van de Raad dat het motiveringsgebrek is hersteld.

4.2. Uitgaande van de juistheid van de beperkingen zoals die voor appellante zijn vastgesteld en aan besluit 2 ten grondslag gelegd, is er geen reden de in 2.1 genoemde functies voor appellante in medisch opzicht niet passend te achten. Met het aanvullende rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 15 juni 2009 is dit voldoende onderbouwd.

5. Ter zitting van de Raad heeft appellante gewezen op het in de beroepsfase gedane verzoek tot vergoeding van de kosten van de deskundige dr. Bos. De Raad stelt vast dat tegen de afwijzing van dit verzoek door de rechtbank geen hoger beroep is ingesteld. Het hoger beroepschrift bevat geen gronden tegen de afwijzing van deze kosten. Dit betekent dat, volgens vaste rechtspraak van de Raad van de juistheid van de aangevallen uitspraak op dit punt moet worden uitgegaan, nu deze afwijzing buiten het geding in hoger beroep valt.

6. Gezien de overwegingen 4.1 tot en met 5 zal de aangevallen uitspraak worden bevestigd, voor zover aangevochten, en zal het beroep tegen besluit 2 ongegrond worden verklaard.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen besluit 2 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) I. Mos.

KR