Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM1546

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-04-2010
Datum publicatie
22-04-2010
Zaaknummer
08-2626 WAO + 09-5282 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering per 19 december 2005 en per 23 september 2007. ASS (autistische stoornis) als een ziekte en/of gebrek aanmerken. (LJN AV2633). Als gevolg van ASS zijn diverse beperkingen aangenomen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren. Niet gebleken dat in dit verband te geringe beperkingen zijn aangenomen. Ook overigens beperkingen niet onderschat. Geschiktheid geduide functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2626 WAO + 09/5282 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Leeuwarden van 26 maart 2008, 07/2254 en 13 augustus 2009, 08/1178 (hierna: uitspraak 1 en uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J. Horstink, werkzaam bij Juridische Dienstverlening Nederland B.V. te Apeldoorn, de hoger beroepen ingesteld. Daarbij heeft appellant informatie uit de behandelende sector ingezonden.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend. Daarnaast zijn ingebracht rapporten van bezwaarverzekeringsarts G.W. Egbers van 19 juni 2008, 5 november 2009 en 21 december 2009 en bezwaararbeidsdeskundige B.H.M. Bootsma van 10 juli 2008.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2010. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J. Langius.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad neemt als vaststaande aan de feiten die de rechtbank in de uitspraken 1 en 2 als vaststaande heeft aangenomen. De Raad volstaat hier met het volgende.

2.1. Bij besluit van 1 augustus 2007 handhaafde het Uwv het ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) genomen besluit van 23 januari 2007. Hierbij deelde het Uwv appellant mee dat zijn WAO-uitkering met ingang van 19 december 2005 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Bij uitspraak 1 verklaarde de rechtbank het ingestelde beroep ongegrond.

2.2. Bij besluit van 27 mei 2008 handhaafde het Uwv zijn besluit van 17 september 2007. Hierbij stelde het Uwv appellant in kennis van de op 23 september 2007 ingaande herziening van zijn WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Bij uitspraak 2 verklaarde de rechtbank het ingestelde beroep ongegrond.

3.1. In het hoger beroep, gericht tegen uitspraak 1, voert appellant aan dat – samengevat weergegeven – zijn beperkingen ten gevolge van RSI, de vastgestelde autistische stoornis (ASS) en zijn duizeligheidsklachten in onvoldoende mate zijn meegewogen bij het opstellen van de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Voorts bestrijdt appellant de geschiktheid van de functie magazijnmedewerker (Sbc-code 315020).

3.2. In het hoger beroep, gericht tegen uitspraak 2, herhaalt appellant de medische stellingen zoals hiervoor weergegeven.

4.1. De Raad komt met betrekking tot het hoger beroep tegen uitspraak 1 tot de volgende beoordeling.

4.2.1. Voor zijn pijnklachten aan de arm, hand en pols heeft appellant verwezen naar de rapportage van verzekeringsarts E. du Maine uit 2002, die op basis van de diagnose RSI enkele beperkingen heeft aangenomen. De Raad is dienaangaande van oordeel dat (enkel) hieruit niet kan worden afgeleid dat deze beperkingen onverkort voor de onderhavige beoordeling hadden moeten worden overgenomen. In de brieven van revalidatieartsen S.E. Slikkerveer van 3 mei 2004 en 7 september 2004 en G.A. Balk van 4 november 2004 en 7 januari 2005, die door appellant in de bezwaarfase zijn overgelegd, vindt de Raad onvoldoende steun voor het standpunt van appellant. Met betrekking tot de in hoger beroep ingebrachte brief van revalidatiearts E. Heijbroek van 7 maart 2008 overweegt de Raad dat deze informatie eveneens geen aanwijzing bevat voor de veronderstelling dat de pijnklachten van appellant zijn onderschat. De Raad onderschrijft dan ook het op 19 juni 2008 door de bezwaarverzekeringsarts gegeven commentaar dat er geen reden is om méér of andere beperkingen aan te nemen.

4.2.2. Appellant heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de bezwaarverzekeringsarts ten onrechte heeft overwogen dat ASS een stoornis is die aan de persoon gebonden is, zodat – voor zover uit een dergelijke stoornis beperkingen ten aanzien van arbeid voortvloeien – deze beperkingen buiten beschouwing moeten worden gelaten. In dit verband heeft appellant gewezen op een uitspraak van de Raad van 21 februari 2006 (LJN AV2633). Hieruit volgt dat ASS wel degelijk als een ziekte en/of gebrek wordt aangemerkt in de zin van artikel 18 van de WAO, aldus appellant. Deze stelling mist feitelijke grondslag. In het eerder aangehaalde commentaar wijst bezwaarverzekeringsarts Egbers erop dat ASS in het onderhavige geval geaccepteerd is als ziekte en dat hiervoor dienovereenkomstig – en met inachtneming van de bevindingen uit het expertiserapport van psychiater C.J.F. Kemperman – beperkingen zijn aangenomen in de FML. De Raad volgt de bezwaarverzekeringsarts hierin en stelt vast dat als gevolg van ASS diverse beperkingen zijn aangenomen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren van appellant. Niet is gebleken dat in dit verband te geringe beperkingen zijn aangenomen.

4.2.3. Met betrekking tot zijn duizeligheidsklachten is in hoger beroep informatie overgelegd van KNO-arts R.E. Plaat van 19 juni 2007 en 2 juli 2007, waaruit blijkt dat bij onderzoek is aangetoond dat het evenwichtsorgaan van appellant verminderd reageert en dat hij – nadat is gebleken dat de voorgeschreven medicatie weinig soelaas biedt – is doorverwezen naar het duizeligheidsspreekuur. In dit kader stelt de Raad vast dat bezwaarverzekeringsarts Egbers voornoemde informatie reeds bij zijn beoordeling in de bezwaarfase heeft meegewogen en (mede) in zijn rapportage van 21 december 2009 overtuigend gemotiveerd waarom de duizeligheidsklachten niet tot het aannemen van meer beperkingen leidt.

4.3. In hoger beroep is de functie magazijnmedewerker (Sbc-code 315020) aan de schatting komen te ontvallen. Dit heeft evenwel geen consequenties voor de mate van arbeidsongeschiktheid, zo heeft bezwaararbeidsdeskundige B.H.M. Bootsma in zijn rapportage van 10 juli 2008 berekend. Aan de schatting liggen aldus de functies wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (Sbc-code 267050) productiemedewerker industrie (Sbc-code 111180) en telefonist, receptionist (Sbc-code 315120) ten grondslag. De hierin voorkomende signaleringen als gevolg van overschrijdingen in de belastbaarheid van appellant zijn naar het oordeel van de Raad door bezwaararbeidsdeskundige M.E. van der Molen in haar rapport van 31 juli 2007 voldoende toegelicht. Appellant moet, uitgaande van de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen zoals neergelegd in de FML van 23 november 2006, in staat worden geacht de geduide functies te vervullen.

5.1. De Raad komt met betrekking tot het hoger beroep tegen uitspraak 2 tot de volgende beoordeling.

5.2. Met betrekking tot de medische grondslag van het besluit van 27 mei 2008 wijst de Raad op hetgeen hij onder 4.2.1 en 4.2.2 heeft overwogen. De Raad stelt vast dat de duizeligheidsklachten reden zijn geweest extra beperkingen aan te nemen ten opzichte van de FML van 23 november 2006. Gelet op het – op de datum in geding – duurzame karakter van deze klachten en de daarop betrekking hebbende informatie van huisarts M.T. Zarza van 25 juli 2008 komt de Raad dit niet onjuist voor. Nu appellant verder geen (nieuwe) medische informatie heeft overgelegd waaruit blijkt dat zijn mogelijkheden zijn overschat, is er naar het oordeel van de Raad geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de FML van 6 augustus 2007.

5.3. Uitgaande van de juistheid van de FML van 6 augustus 2007 is de Raad met de rechtbank van oordeel dat appellant met zijn beperkingen in staat moet zijn de geduide functies, te weten wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (Sbc-code 267050), productiemedewerker industrie (Sbc-code 111180) en telefonist, receptionist (Sbc-code 315120), gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, te kunnen vervullen.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikelen 8:73 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.A. van Amerongen.

JL