Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM1544

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-04-2010
Datum publicatie
20-04-2010
Zaaknummer
09-1070 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. De mate van arbeidsongeschiktheid is minder dan 35%. Voldoende medische onderbouwing. Omvang maatman. Bewijslast. Geen schriftelijke arbeidsovereenkomst. Geen vordering tegen werkgever ingesteld.De bewijsnood waarin appellant verkeert, is geen reden om het bewijsrisico voor rekening van het Uwv te brengen. De enkele omstandigheid dat het Uwv onderzoek naar de kassabonnen naliet, maakt dat niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1070 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 9 januari 2009, 08/728 (hierna: de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant stelde mr. A.M. Bruin, advocaat te Amersfoort, hoger beroep in en zij bracht bij brieven van 22 januari 2010, 4 februari 2010 en 16 maart 2010 nieuwe stukken in het geding.

Het Uwv voerde verweer en legde op 29 januari 2010 een rapport van de bezwaarverzekeringsarts en enkele stukken over.

De zitting vond plaats op 5 februari 2010. Appellant verscheen met de bijstand van mr. M. Huisman, advocaat te Amersfoort. Namens het Uwv verscheen

mr. F.A.M. Delfgaauw.

De Raad schorste de behandeling om appellant de gelegenheid te bieden nader bewijs bij te brengen.

De vervolgzitting vond plaats op 29 maart 2010. Appellant verscheen met de bijstand van mr. Bruin. Namens het Uwv verscheen mr. B.R.H. Barendregt.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Het inleidende beroep richt zich tegen het besluit van 13 februari 2008 dat het Uwv ter uitvoering van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) nam. Met dat besluit handhaaft het Uwv zijn besluit van 5 oktober 2007, waarbij hij vaststelde dat appellant per 13 juli 2007 geen WIA-uitkering toekomt.

2. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.

3.1. Bij zijn beoordeling gaat de Raad uit van de volgende feiten.

3.2. Tot en met 2004 was appellant zelfstandig ondernemer en exploiteerde hij een herenmodezaak. Vanaf 1 maart 2005 werkte appellant bij een herenmodezaak (hierna de werkgever). Van dat bedrijf stond zijn toenmalige levenspartner als eigenaresse geregistreerd. Volgens de opgave van de werkgever was appellant in dienstbetrekking werkzaam voor 12 uur per week.

3.3. Op 12 juli 2005 staakte appellant dat werk wegens psychische klachten na een hoog opgelopen conflict met zijn toenmalige levenspartner. Het dienstverband eindigde op

18 juli 2005.

3.4. Na medisch en arbeidskundig onderzoek weigerde het Uwv bij het besluit van 5 oktober 2007 om appellant per 13 juli 2007 in aanmerking te brengen van een WIA-uitkering. Het Uwv berekende de mate van arbeidsongeschiktheid op minder dan 35%.

4.1. Appellant herhaalt in hoger beroep dat het Uwv zijn medische beperkingen onderschat. Hij heeft ter onderbouwing informatie ingebracht van de hem behandelende psychiaters en psycholoog en zijn huisarts.

4.2.1. Verder stelt appellant dat het Uwv uitgaat van een verkeerde maatmanomvang, omdat hij voor (veel) meer dan 12 uren in dienst was van de werkgever. Ter onderbouwing van deze stelling legde hij een aantal verklaringen over, onder meer van een voormalige werkneemster van appellant, die appellant steeds aanwezig trof als zij op verschillende dagdelen de winkel bezocht. Een collega kledingwinkelier schreef dat hij niet beter wist dan dat appellant full time bij zijn werkgever werkte. Ook legde appellant een kwitantie over van een voorschotbetaling op zijn salaris over augustus 2005 op 14 juli 2005 van € 500,00, een jaaropgave over 2005 waarin de werkgever loonbetalingen aan appellant verantwoordt over het tijdvak 1 maart tot 11 juli 2005 tot € 2.246,00. Volgens een opgave van het pensioenfonds nam appellant deel in dat fonds van 5 mei 1973 tot 11 juli 2005.

4.2.2. Appellant bepleit dat het Uwv het bewijsrisico draagt over de omvang van de maatmanomvang. Het Uwv liet namelijk na om onderzoek te doen naar de kassaregistratie bij de werkgever, terwijl volgens appellant daaruit kon blijken dat hij (meer dan) full time in de modewinkel van de werkgever aanwezig was.

5.1. De Raad onderschrijft ten volle de aangevallen uitspraak.

5.2.1. De bezwaarverzekeringsarts onderbouwde zijn oordeel inzichtelijk en consistent. Hij betrok bij zijn beoordeling de gegevens van de behandelende psychiaters en psycholoog en gaf de voor appellant geldende arbeidsbeperkingen weer in een zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst, waarin ook een duurbeperking (maximaal zes uur per dag) is opgenomen.

5.2.2. De in hoger beroep overgelegde medische stukken bevatten geen nieuwe gegevens.

5.3. De (bezwaar-)arbeidsdeskundige lichtte de geschiktheid van de functies voldoende toe.

5.4.1. De werkgever gaf aan het Uwv op dat appellant voor 12 uur per week in dienst was. Volgens de jaaropgave 2005 betaalde de werkgever appellant maandelijks € 500,00 aan loon. Appellant heeft, in weerwil van de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst, geen schriftelijke arbeidsovereenkomst. Hij ontving naar zijn zeggen feitelijk geen salarisbetaling, behoudens een in juli 2005 contant betaald voorschot. Loonstroken ontving appellant niet en ook kreeg hij van het pensioenfonds geen aanmelding van zijn dienstverband met zijn werkgever. Deze situatie accepteerde appellant vanwege het vertrouwen dat hij (toen) in zijn werkgever stelde.

5.4.2. Appellant liet na een loonvordering tegen zijn werkgever in te stellen en diende evenmin een vordering in bij de curator na het faillissement van zijn werkgever.

5.4.3. Deze omstandigheden leggen de bewijslast dat zijn werkgever een te lage opgave deed van de omvang van het diensverband, bij appellant.

5.4.4. In dat bewijs is appellant niet geslaagd. De daartoe door hem overgelegde verklaringen zijn daarvoor onvoldoende.

5.4.5. De bewijsnood waarin appellant verkeert, is geen reden om het bewijsrisico voor rekening van het Uwv te brengen. De enkele omstandigheid dat het Uwv onderzoek naar de kassabonnen naliet, maakt dat niet anders.

6. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal de Raad bevestigen.

7. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2010.

(get.) R.C. Stam.

(get.) D.E.P.M. Bary.

IvR