Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM1537

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-04-2010
Datum publicatie
19-04-2010
Zaaknummer
09-4403 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking Wajong-uitkering: minder dan 25% arbeidsongeschikt. Hetgeen is aangevoerd met betrekking tot de paniekstoornis en agorafobie biedt geen objectief medische aanknopingspunten voor het aannemen van meer beperkingen. Medsiche geschiktheid van de functies. Wat betreft de stelling van appellante dat zij niet zelfstandig kan reizen: een vervoersvoorziening, als waarop appellante het oog kennelijk heeft, dient door de verzekerde zelf te worden getroffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4403 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 1 juli 2009, 08/1078 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld en is een nader stuk ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2010. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde W. den Hertog, juridisch adviseur. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.W. Huiskamp.

II. OVERWEGINGEN

1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), zoals die luidden tot 1 januari 2010.

2. Voor een uitvoeriger uiteenzetting van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de onder nummer 05/1870 tussen partijen gegeven uitspraak van de rechtbank Maastricht van 11 april 2006, 05/1870, en naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende. Nadat besluiten van het Uwv in eerdere procedures - wegens gebreken in de medische grondslag – in rechte niet houdbaar zijn gebleken, heeft het Uwv bij het thans in geding zijnde besluit van 6 juni 2008 (het bestreden besluit) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 april 2003 ongegrond verklaard. In dit laatste besluit heeft het Uwv beslist dat de aan appellante toegekende uitkering ingevolge de Wajong met ingang van 18 juni 2003 wordt ingetrokken op de grond dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid op deze datum minder dan 25% bedraagt.

3. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het door appellante ingestelde beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe, kort samengevat, overwogen dat het bestreden besluit op een juiste medische grondslag berust en dat van de zijde van het Uwv voldoende heeft gemotiveerd waarom de geselecteerde functies medisch geschikt zijn voor appellante.

4. In hoger beroep heeft appellante wederom de medische grondslag en de geschiktheid, vanuit medisch oogpunt, van de geselecteerde functies betwist. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit en onderschrijft de daaraan gewijde overwegingen.

5.2. De namens appellante bij geleidebrief van 11 februari 2011 overgelegde medische gegevens hebben betrekking op het bij appellante bestaande schildklierlijden. Zoals de rechtbank in haar uitspraak van 11 april 2006 heeft beslist, zijn de met deze aandoening samenhangende beperkingen juist vastgesteld. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld, zodat de Raad heeft uit te gaan van hetgeen de rechtbank daaromtrent in die uitspraak heeft beslist.

5.3. Met betrekking tot de bij appellante bestaande paniekstoornis en de agorafobie stelt de Raad vast dat hetgeen in hoger beroep door appellante is aangevoerd geen objectief medische aanknopingspunten biedt voor de stelling dat appellante per de datum in geding meer is beperkt dan door het Uwv is aangenomen.

5.4. De Raad onderschrijft voorts het oordeel van de rechtbank over de medische geschiktheid van de geduide functies. Het betoog van appellante dat zij die functies niet kan vervullen omdat zij niet zelfstandig kan reizen treft geen doel. De Raad volgt hierin het Uwv dat in de vorm van een arbeidskundig rapport van 28 mei 2008, onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 9 november 2004, LJN AR7149, en 7 maart 2008, LJN BC7288, heeft aangevoerd dat een vervoersvoorziening, als waarop appellante het oog kennelijk heeft, door de verzekerde zelf dient te worden getroffen.

6. De Raad komt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bolt en C.P.M. van de Kerkhof als leden in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 april 2010.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) T.J. van der Torn.

IvR