Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM1526

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-04-2010
Datum publicatie
20-04-2010
Zaaknummer
08-2668 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Door de Raad is een onafhankelijke deskundige ingeschakeld die tot de conclusie komt dat in psychiatrisch opzicht kan worden gesteld dat de inschatting van de belastbaarheid, zoals neergelegd in de FML reëel is geweest. Geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de deskundige. Voldoende rekening gehouden met appellantes psychische problematiek. Appellante wordt in staat geacht deze functies met de daaraan verbonden belastende aspecten te vervullen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2668 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] e/v [naam echtgenoot], wonende te ’s-Gravenhage (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 4 april 2008, 07/2637 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Koot, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2009. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.W.G. Determan.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

De Raad heeft psychiater dr. E. Hoencamp benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek. Deze heeft een schriftelijk verslag van zijn onderzoek van december 2009 aan de Raad uitgebracht, waarop door beide partijen is gereageerd.

Namens appellante is vervolgens nog een brief ingebracht van fysio- en manueel therapeut A. Bocken van 30 december 2009.

Partijen hebben toestemming gegeven om een nadere zitting achterwege te laten, waarna de Raad het onderzoek heeft gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante is uitgevallen in haar werkzaamheden als verkoopster in een slagerij. Per einde wachttijd is zij in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

2.1. Naar aanleiding van een herbeoordeling in het kader van het aangepaste Schattingsbesluit (Stb. 2004, 434) is de WAO-uitkering bij besluit van 19 september 2006 met ingang van 8 november 2006 ingetrokken, omdat appellante op dat moment minder dan 15% arbeidsongeschikt was.

2.2. Het besluit van 19 september 2006 is bij besluit van 5 maart 2007 (hierna: bestreden besluit) gehandhaafd.

3.1. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

3.2. De rechtbank heeft de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat pas in beroep de passendheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies is komen vast te staan. Bij aangevallen uitspraak is het beroep deswege met toepassing van artikel 8:72, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gegrond verklaard, is het bestreden besluit vernietigd en zijn de rechtsgevolgen hiervan in stand gelaten.

4. In hoger beroep heeft appellante haar stellingen in essentie herhaald, inhoudende dat de bezwaarverzekeringsarts ten onrechte niet heeft deelgenomen aan de hoorzitting en dat met de bij haar bestaande psychische en lichamelijke beperkingen evenals het medicijngebruik in onvoldoende mate rekening is gehouden bij het opstellen van de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). In dit verband acht appellante het onjuist en onbegrijpelijk dat in de FML van 19 oktober 2004 minder beperkingen zijn aangenomen dan in de FML van 22 februari 2007.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

6.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv niet in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheids- en gelijkheidsbeginsel. In dit verband heeft de rechtbank op juiste gronden overwogen dat de afwezigheid van de bezwaarverzekeringsarts tijdens de hoorzitting in het onderhavige geval geen (nadelige) consequenties heeft met betrekking tot de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek, aangezien appellante in bezwaar haar mening over haar belastbaarheid niet nader heeft onderbouwd met objectief medische gegevens. Dienaangaande heeft de bezwaarverzekeringsarts zijn onderzoek kunnen beperken tot een dossieronderzoek.

6.2.1. De Raad overweegt voorts dat aan het enkele feit dat in de FML van 22 februari 2007 minder beperkingen zijn opgenomen dan in de FML van 19 oktober 2004 niet de bevestiging kan worden ontleend dat de mogelijkheden van appellante zijn overschat.

6.2.2. De Raad overweegt met betrekking tot het door de deskundige Hoencamp uitgebrachte advies dat sprake is van een zorgvuldig onderzoek, waarbij niet alleen kennis is genomen van de gedingstukken maar ook informatie is opgevraagd bij de behandelende sector. Op basis hiervan heeft de deskundige geconcludeerd dat in psychiatrisch opzicht kan worden gesteld dat de inschatting van de belastbaarheid, zoals neergelegd in de FML van 22 februari 2007, reëel is geweest.

6.2.3. Naar vaste jurisprudentie van de Raad dient in beginsel het oordeel van de door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige te worden gevolgd, tenzij zich in een concreet geval feiten of omstandigheden voordoen die (voldoende) grond vormen om hiervan af te wijken. De Raad is van oordeel dat in dit geval geen aanleiding bestaat om van deze hoofdregel af te wijken. Aldus is de Raad er van overtuigd dat de psychische problematiek, zoals deze op de datum in geding speelde, met de aangenomen beperkingen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren van appellante voldoende is ondervangen.

6.2.4. Met betrekking tot de lichamelijke problematiek alsmede het medicijngebruik van appellante stelt de Raad vast dat zij (in hoger beroep) geen (nieuwe) medische informatie heeft ingebracht waaruit blijkt dat de hieruit voortvloeiende beperkingen in onvoldoende mate zijn vertaald in de FML. In dit verband merkt de Raad op dat de in hoger beroep overgelegde brief van Bocken evenmin aanknopingspunten biedt voor de stelling dat de beperkingen van appellante zijn onderschat. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen niet behoeft te worden getwijfeld.

6.3. De schatting is gebaseerd op de functies elektronicamonteur (Sbc-code 267040), wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (Sbc-code 267050) en productiemedewerker textiel (Sbc-code 272043). Evenals de rechtbank oordeelt de Raad dat appellante, uitgaande van de juistheid van de FML, in staat moet worden geacht deze functies met de daaraan verbonden belastende aspecten te vervullen.

7. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) A.E. van Rooij.

KR