Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM1507

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2010
Datum publicatie
20-04-2010
Zaaknummer
08-6624 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dagloon WW-uitkering. Appellant/Uwv is bij de berekening van het WW-dagloon terecht uitgegaan van het WAO-vervolgdagloon. (LJN BI4685). De Raad is voorts van oordeel dat appellant in het besluit op inzichtelijke wijze heeft aangegeven hoe het WW-dagloon (vervolgens) is vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6624 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 23 oktober 2008, 07/3367 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], hierna: betrokkene,

en

appellant

Datum uitspraak: 25 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Tiemersma, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Tevens is betrokkene verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene was werkzaam als senior architect voor 40 uren per week. Voor dat werk is hij in 1997 wegens ziekte uitgevallen. Vanaf 21 mei 1998 ontving betrokkene een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80%. Op 1 november 2001 heeft betrokkene zijn werkzaamheden bij de eigen werkgever volledig hervat, waarna de WAO-uitkering is ingetrokken. Op 4 mei 2005 is betrokkene opnieuw wegens ziekte uitgevallen. Hij heeft, zo blijkt uit de zich bij de stukken bevindende rapportage van de arbeidsdeskundige van 15 mei 2007, voor het laatst in de periode van januari 2006 tot en met juni 2006 nog werkzaamheden voor de eigen werkgever verricht.

1.2. Bij besluit van 22 april 2007 heeft appellant betrokkene meegedeeld dat zijn mate van arbeidsongeschiktheid per 9 april 2007 is verlaagd naar de klasse van 45-55%. De WAO-uitkering van betrokkene is bij dat besluit dienovereenkomstig aangepast.

1.3. Met ingang van 12 juni 2007 hebben betrokkene en zijn werkgever hun arbeidsovereenkomst beëindigd. Op 17 augustus 2007 heeft betrokkene bij appellant een aanvraag om uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ingediend. Bij besluit van 10 september 2007 heeft appellant aan betrokkene met ingang van 12 juli 2007 een WW-uitkering toegekend, zulks in aanvulling op de WAO-uitkering van betrokkene en wat de hoogte betreft afgeleid van diens WAO-vervolgdagloon.

1.4. Bij besluit van 22 oktober 2007 heeft appellant het tegen het besluit van 10 september 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 22 oktober 2007 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Hiertoe heeft de rechtbank - onder verwijzing naar de uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Utrecht van 6 augustus 2007, LJN BB1791 - overwogen dat het door appellant toegepaste artikel 13, zesde lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (hierna: Besluit) wegens strijd met artikel 45, eerste lid, van de WW als onverbindend buiten toepassing dient te blijven. Tevens heeft de rechtbank bepalingen gegeven omtrent proceskosten en griffierecht.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, komt de Raad tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 45, eerste lid, van de WW wordt - voor zover hier van belang - als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer in de periode van één jaar voorafgaande aan het arbeidsurenverlies, als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WW verdiende, doch ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv), met betrekking tot een loontijdvak van één dag. Bij het Besluit zijn op basis van artikel 45, tweede lid, van de WW nadere regels gesteld ten aanzien van de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid.

4.2. Ingevolge artikel 13, eerste lid, van het Besluit is het WW-dagloon van de werknemer die op de dag voorafgaande aan de eerste werkloosheidsdag een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO heeft ontvangen naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, indien die uitkering met ingang van de eerste werkloosheidsdag wordt ingetrokken dan wel niet meer wordt uitbetaald op grond van artikel 43, eerste lid, of artikel 44, eerste lid, onderdeel a, van de WAO, gelijk aan het laatstelijk geldende WAO-dagloon. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat het WW-dagloon van de werknemer die op de eerste werkloosheidsdag, of op de eerste dag van herleving van het recht op werkloosheidsuitkering, een uitkering op grond van de WAO naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80% ontvangt, wordt vastgesteld door evenredige verlaging van het laatstelijk geldende WAO-dagloon. Dit WAO-dagloon wordt in aanmerking genomen naar de mate waarin de uitkering waarvoor het dagloon wordt vastgesteld in de plaats is gekomen voor de uitkering op grond van de WAO.In het zesde lid van dit artikel is bepaald, dat indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering laatstelijk was gebaseerd op een WAO-vervolgdagloon, bij de toepassing van het eerste, tweede, vierde en vijfde lid voor ‘WAO-dagloon’ wordt gelezen: WAO-vervolgdagloon.

4.3. Appellant heeft naar voren gebracht dat hij een juiste toepassing heeft gegeven aan het hiervoor weergegeven wettelijk kader, door bij de bepaling van het WW-dagloon van betrokkene tot uitgangspunt te nemen het op 12 juli 2007 voor betrokkene geldende WAO-vervolgdagloon. Daarbij heeft appellant zich beroepen op de uitspraak van de Raad van 14 mei 2009, LJN BI4685.

4.4. De Raad acht dit standpunt juist. Kortheidshalve verwijst de Raad in de eerste plaats naar de desbetreffende overwegingen in de hierboven genoemde uitspraak. Daarbij is de in de aangevallen uitspraak genoemde uitspraak van de rechtbank Utrecht van 6 augustus 2007 vernietigd. Uit de uitspraak van de Raad volgt dat er geen grond is voor het oordeel dat artikel 13, zesde lid, van het Besluit buiten toepassing moet worden gelaten. Betrokkene heeft aangevoerd dat als gevolg van de toepassing van die bepaling het WW-dagloon te ver afstaat van het salaris dat hij bij zijn werkgever heeft verdiend. De Raad ziet daarin echter geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in zijn eerdergenoemde uitspraak is neergelegd. Daarbij merkt de Raad op dat ervan moet worden uitgegaan (zie 1.1) dat betrokkene vanaf juni 2006 geen loonvormende arbeid meer voor zijn werkgever heeft verricht.

4.5. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat appellant bij de berekening van het WW-dagloon terecht is uitgegaan van het WAO-vervolgdagloon. De Raad is voorts van oordeel dat appellant in het besluit van 22 oktober 2007 op inzichtelijke wijze heeft aangegeven hoe het WW-dagloon (vervolgens) is vastgesteld.

4.6. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellant slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van betrokkene tegen het besluit van 22 oktober 2007 ongegrond verklaren.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en R. Kooper en C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2010.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.L.G. Boot.

SG