Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM1501

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-03-2010
Datum publicatie
20-04-2010
Zaaknummer
08-2756 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum bijstandsuitkering. Geen bijzondere omstandigheden, om met verdere terugwerkende kracht een bijstandsuitkering toe te kennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2756 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 maart 2008, 07/1563 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 30 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingezonden.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 2 maart 2010. Appellante is niet verschenen en het College heeft zich met voorafgaand bericht niet laten vertegenwoordigen

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellante, die de Irakese nationaliteit heeft, is eind maart 2006 naar Nederland gekomen met een geldige machtiging tot voorlopig verblijf. Zij is met haar zoon gaan inwonen bij haar ouders en is op 16 september 2006 bevallen van haar tweede kind. Op

6 september 2006 heeft zij zich bij het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) gemeld voor het aanvragen voor een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Deze aanvraag is bij besluit van 20 september 2006 afgewezen wegens het ontbreken van een geldige verblijfstitel.

1.2. Op 26 september 2006 heeft appellante zich opnieuw gemeld voor het aanvragen voor een bijstandsuitkering. Bij besluit van 3 november 2006 heeft het College aan haar met ingang van 6 september 2006 bijstand toegekend. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de ingangsdatum van de bijstand en heeft zich op het standpunt gesteld dat zij recht heeft op bijstand vanaf 24 april 2006. Bij het besluit van 15 januari 2007 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 3 november 2006 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 15 januari 2007 ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College aanleiding had moeten vinden om appellante met verdere terugwerkende kracht dan 6 september 2006 een bijstandsuitkering toe te kennen.

3. Appellante heeft de juistheid van dit oordeel in hoger beroep gemotiveerd bestreden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 43, eerste lid, van de WWB stelt het college het recht op bijstand op schriftelijke aanvraag vast. Artikel 44, eerste lid, van de WWB bepaalt dat, indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.

4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad betreffende de toepassing van de artikelen 43 en 44 van de WWB wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaande aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend en/of melding bij het CWI heeft plaatsgevonden. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken wanneer bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.

4.3. Vaststaat dat appellante zich voor het eerst op 6 september 2006 tot het CWI heeft gewend voor het indienen van een bijstandsaanvraag. Het College heeft in deze eerdere melding al aanleiding gevonden om de ingangsdatum van de bijstandsuitkering op

6 september 2006 te stellen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het College in de door appellante aangevoerde omstandigheden aanleiding had moeten vinden om haar met ingang van een eerdere datum dan 6 september 2006 bijstand toe te kennen.

4.4. Evenals de rechtbank ziet de Raad in hetgeen appellante in dit verband heeft aangevoerd geen bijzondere omstandigheden die een eerdere ingangsdatum van de bijstand rechtvaardigen. De omstandigheid dat de ouders van appellante in de periode van 30 maart 2006 tot 6 september 2006 in haar levensonderhoud hebben voorzien en de niet onderbouwde stelling van appellante dat zij in die periode schulden heeft moeten maken, is hiertoe ontoereikend. Het feit dat aan appellante met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning is verleend kan evenmin worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die het vervroegen van de ingangsdatum van de bijstand kan rechtvaardigen. Ook de in hoger beroep aangevoerde gronden zijn niet als zodanige omstandigheden aan te merken.

4.5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2010.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

IJ