Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM1422

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-04-2010
Datum publicatie
16-04-2010
Zaaknummer
08-4637 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging loonsanctie. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv terecht geconcludeerd dat appellante te afwachtend is geweest en dat haar re-integratie-inspanningen in het kader van werkhervatting in het tweede spoor onvoldoende zijn geweest. De Raad onderschrijft eveneens het standpunt van het Uwv dat appellante voor haar tekortkomingen geen deugdelijke grond heeft gehad. Uwv is er terecht van uitgegaan dat de verantwoordelijkheid voor de re-integratie bij appellante is gelegen.

Wetsverwijzingen
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen 25
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen 65
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4637 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

Stichting [naam[vestigingsp[vestigingsplaats]ting], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 26 juni 2008, 07/3963 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.H. Boogers, werkzaam bij de vereniging Verenigde Bijzondere Scholen voor onderwijs op algemene grondslag te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2010. Appellante is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H. Beersma en mr. B.S. Lindeman.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 25 januari 2007 heeft het Uwv het tijdvak waarin [de werkneemster] (hierna: de werkneemster) jegens appellante als werkgever recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd met 52 weken. Die verlenging - ook wel kortweg loonsanctie genoemd - is opgelegd in aansluiting op de afloop van de normale wachttijd van 104 weken op de grond dat de re-integratie-inspanningen van appellante onvoldoende zijn geweest en er geen deugdelijke grond is voor dit verzuim. Daarbij heeft het Uwv toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), in verbinding met artikel 65, eerste lid, van de Wet WIA.

1.2. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 28 augustus 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar, onder verwijzing naar rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige J. Leeneman van 10 juli 2007, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv uit het feitelijk verloop van de re-integratie terecht heeft geconcludeerd dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, omdat geen re-integratie tweede spoor is ingezet in januari 2006 en hiervoor geen deugdelijke grond aanwezig was.

3.1. In hoger beroep is door appellante, onder verwijzing naar de gronden die zij reeds in bezwaar en beroep heeft aangevoerd, - kort weergegeven - gesteld dat zij betwist dat in januari 2006 geen concreet perspectief op werkhervatting meer bestond omdat werkneemster ten tijde van de eerstejaarsevaluatie voor 50% werkzaam was in het eigen werk en volgens de bedrijfsarts hervatting voor tenminste 65% alleszins reëel was. Voorts stelt appellante zich op het standpunt dat het niet opstarten van het tweede spoor onder de gegeven omstandigheden legitiem was, omdat zij steeds de adviezen van haar bedrijfsarts heeft opgevolgd en dat zij na de volledige uitval van werkneemster niet te afwachtend is geweest met haar re-integratie-inspanningen. Zelfs al zouden de adviezen van de bedrijfsarts tekortkomingen hebben gekend, dan is appellante van mening dat zij daarvoor niet aansprakelijk kan worden geacht.

3.2. In het verweerschrift heeft het Uwv aangevoerd dat er geen concreet perspectief was op hervatting in het eigen werk bij appellante. Voorts stelt het Uwv zich op het standpunt dat appellante verantwoordelijk is voor de rol van de bedrijfsarts of de arbodienst. Het Uwv heeft de Raad dan ook verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4.1. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.2. Gezien de standpunten van partijen is in hoger beroep in geschil of het Uwv terecht het tijdvak waarin de werkneemster recht heeft op loon tijdens ziekte met 52 weken heeft verlengd. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen door appellante, als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA.

4.3. Het standpunt van het Uwv dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht is gebaseerd op de conclusies in de rapportages van de arbeidsdeskundige van 6 december 2006, aangevuld op 21 december 2006, en van de bezwaararbeidsdeskundige van 10 juli 2007. Daarin is aangegeven dat het hele traject onvoldoende adequaat vorm is gegeven, omdat appellante zich vooral afwachtend heeft opgesteld. De eerstejaars evaluatie is door appellante niet benut om een mening te vormen of re-integratie in de eigen functie wel haalbaar geacht kon worden en er hadden op zijn minst voorbereidingen gestart moeten worden met het oog op (passend) werk bij een andere werkgever (het zogenoemde tweede spoor). De bezwaararbeidsdeskundige heeft in haar rapportage het standpunt van de arbeidsdeskundige onderschreven en is eveneens tot de conclusie gekomen dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht voor welk verzuim appellante geen deugdelijke grond heeft.

4.4. De Raad overweegt dat de stukken voldoende steun bieden voor de het standpunt van het Uwv dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. In dit verband wijst de Raad op de eerstejaars evaluatie van 13 januari 2006, waarin wordt aangegeven dat er weinig zekerheid is te geven of volledig herstel van de volledige belastbaarheid haalbaar is. Na de volledige ziekmelding van werkneemster per 7 maart 2006 heeft de bedrijfsarts in haar rapportage van 9 maart 2006 vervolgens aangegeven dat met een behandeltraject bij DBC gestart dient te worden en dat op geleide van de mogelijkheden van deze therapie nieuwe werkafspraken gemaakt dienen te worden. In het bijgestelde plan van aanpak van 16 maart 2006 zijn de gemaakte afspraken in die zin verwoord. Hieruit heeft het Uwv naar het oordeel van de Raad terecht afgeleid dat er onvoldoende perspectief bestond voor werkhervatting van werkneemster bij appellante. Het had appellante vanaf januari 2006 derhalve duidelijk moeten zijn dat zij haar re-integratie-inspanningen had moeten richten op het zogenoemde tweede spoor. Uit de rapportage van de arbeidsdeskundige van de Arbo-unie blijkt dat het tweede spoortraject door appellante eerst in oktober 2006 is ingezet. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv terecht geconcludeerd dat appellante te afwachtend is geweest en dat haar re-integratie-inspanningen in het kader van werkhervatting in het tweede spoor onvoldoende zijn geweest. De Raad onderschrijft eveneens het standpunt van het Uwv dat appellante voor haar tekortkomingen geen deugdelijke grond heeft gehad.

4.4. Met betrekking tot de door appellante aangevoerde grond dat zij steeds de adviezen van haar bedrijfsarts heeft gevolgd en dat zij niet aansprakelijk is voor de mogelijke tekortkomingen daarvan, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 18 november 2009, LJN BK 3713, waarin hij heeft geoordeeld dat het Uwv er terecht van uitgaat dat de verantwoordelijkheid voor de re-integratie bij appellante is gelegen. In hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding tot een andersluidend oordeel te komen.

4.5. Uit hetgeen onder 4.3 en 4.4 is overwogen, volgt dat de Raad van oordeel is dat het Uwv op basis van de beschikbare gegevens terecht heeft geconcludeerd dat appellante als werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en dat het besluit tot oplegging van de loonsanctie mitsdien in rechte stand kan houden. Dat leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M. Mostert.

IvR