Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM1314

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-03-2010
Datum publicatie
15-04-2010
Zaaknummer
08/5629 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Meerdere periodes. De onderzoeksbevindingen bieden een toereikende grondslag om aan te nemen dat appellant niet zijn feitelijke woonadres had op het door hem opgegeven adres en niet woonachtig was in de gemeente Delft. Eigen verklaringen van appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5629 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 8 augustus 2008, 07/6191 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft (hierna: College)

Datum uitspraak: 30 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.T.F. van Berkel, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2010. Voor appellant is verschenen mr. Van Berkel. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Schokker, werkzaam bij de gemeente Delft.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sinds 4 februari 1988 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van een melding op 12 juni 2006 dat appellant een gezamenlijke huishouding voert met [V.O.] (hierna: [V.O.]) in de woning van appellant op het adres [adres 1] te Delft, is door de sociale recherche van de gemeente Delft een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant en aan [V.O.] verleende bijstand. In dat kader is onder meer dossieronderzoek verricht en informatie ingewonnen bij een water- en energiebedrijf, heeft in de periode van 12 juli 2006 tot en met 12 september 2006 een observatieonderzoek plaatsgevonden, is op 30 oktober 2006 een huisbezoek afgelegd in de woning van appellant op het adres [adres 1] te Delft, zijn appellant en [V.O.] verhoord, heeft een buurtonderzoek in de omgeving van de woning van [V.O.] op het adres [adres 2] te Delft en in de omgeving van de [adres 1] te Delft plaatsgevonden en zijn getuigen gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in de rapporten van 6 december 2006 en 9 februari 2007.

1.3. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 18 december 2006 de bijstand van appellant over de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 oktober 2006 in te trekken. De bijstand over de periode van 1 januari 2000 tot en met 30 september 2004 is ingetrokken op de grond dat appellant niet zijn hoofdverblijf heeft gehad op het adres [adres 1] te Delft met als gevolg dat het recht op bijstand niet is vast te stellen. De bijstand over de periode van 1 oktober 2004 tot en met 31 oktober 2006 is ingetrokken op de grond dat appellant geen recht heeft op bijstand, omdat hij feitelijk niet in de gemeente Delft woonachtig was en het College hiervan geen mededeling heeft gedaan. Bij datzelfde besluit heeft het College de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 oktober 2006 van appellant teruggevorderd en wel tot een bedrag van € 87.258,18 bruto over de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2005 en tot een bedrag van € 9.852,09 netto over de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 oktober 2006.

1.4. Bij besluit van 19 december 2006 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 1 november 2006 ingetrokken op de grond dat appellant feitelijk geen verblijf heeft in de gemeente Delft en daardoor geen recht heeft op bijstand jegens het College.

1.5. Bij besluit van 11 juli 2007 heeft het College het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 18 en 19 december 2006 ongegrond verklaard en deze besluiten gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 11 juli 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat het College de intrekking van de bijstand van appellant bij het besluit van 19 december 2006, anders dan bij het besluit van 18 december 2006, niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Eén en ander brengt met zich dat ter beoordeling voorligt de periode van 1 januari 2000 tot en met 19 december 2006.

4.2. De bijstand van appellant is over de periode van 1 januari 2000 tot en met 30 september 2004 ingetrokken op de grond dat appellant niet zijn hoofdverblijf heeft gehad op het door hem opgegeven adres [adres 1] te Delft waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. De Raad overweegt ten aanzien van deze periode als volgt.

4.3. De vraag waar iemand zijn woonadres heeft dient naar vaste rechtspraak te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven voor de beoordeling van (de voortzetting van) het recht op bijstand een essentieel gegeven vormt. Indien de belanghebbende niet aan de inlichtingenverplichting voldoet is dat een grond voor intrekking van de bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, de belanghebbende recht op bijstand heeft.

4.4. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden om aan te nemen dat appellant, anders dan hij aan het College heeft opgegeven, gedurende de periode van 1 januari 2000 tot en met 30 september 2004 niet zijn feitelijke woonadres had op het door hem opgegeven adres [adres 1] te Delft. De Raad onderschrijft wat de rechtbank hieromtrent heeft overwogen. De Raad kent daarbij met name betekenis toe aan de door appellant op 31 oktober 2006 afgelegde verklaring dat hij op het adres [adres 1] te Delft, vanaf het moment dat hij daar is komen wonen, alleen op maandag en dinsdag woont. Deze verklaring vindt steun in de verklaring van [A.B.] op 31 oktober 2006, inhoudende dat vanaf 1996 op het adres [adres 1] te Delft niemand woont, in het lage gas-, elektriciteits- en waterverbruik in de woning van appellant en in de observatie van de politie op 26 april 2004 dat in de woning van appellant een muffe lucht hing, als ware de woning voor langere tijd niet bewoond en dat in de kamers van de woning goederen waren opgeslagen tot aan het plafond.

4.5. Door onjuiste informatie over zijn werkelijke woonadres te geven heeft appellant de op hem ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) en artikel 17, eerste lid, van de WWB rustende inlichtingenverplichting geschonden. Ten gevolge daarvan kan niet worden vastgesteld of appellant in die periode in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.

4.6. Het College was derhalve bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand in te trekken over de periode van 1 januari 2000 tot en met 30 september 2004. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot intrekking.

4.7. De bijstand van appellant is over de periode van 1 oktober 2004 tot en met 31 oktober 2006 en vanaf 1 november 2006 ingetrokken op de grond dat appellant, zonder dit te melden, feitelijk geen verblijf meer hield in de gemeente Delft en daardoor geen recht had op bijstand. De Raad overweegt ten aanzien van deze periode het volgende.

4.8. Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de WWB bestaat recht op bijstand jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de WWB dient naar vaste rechtspraak van de Raad te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.9. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het College dat appellant gedurende de periode van 1 oktober 2004 tot en met 31 oktober 2006 en vanaf 1 november 2006 niet zijn woonplaats had in de gemeente Delft. Ook de Raad hecht hierbij betekenis aan de verklaring van appellant van 31 oktober 2006, dat hij ruim twee jaar woont en verblijft op de boot ‘[naam boot]’. Niet in geschil is dat deze boot ligplaats heeft buiten de gemeente Delft. Het standpunt van het College vindt mede steun in de verklaring van [V.O.] van 31 oktober 2006 en de verklaring van [C.D.] van 30 oktober 2006. De Raad onderschrijft in dit verband verder wat de rechtbank hierover heeft overwogen en maakt deze overwegingen tot de zijne.

4.10. Gelet op het voorgaande is de Raad met de rechtbank van oordeel dat appellant in de hier te beoordelen periode feitelijk niet in de gemeente Delft woonachtig was, zodat hij ingevolge artikel 40, eerste lid, van de WWB in die periode niet langer recht op bijstand jegens het College had. Aangezien appellant in strijd met de op hem ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB rustende inlichtingenverplichting heeft nagelaten het College van de wijziging van zijn woonplaats in kennis te stellen, was het College tevens bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand in te trekken over de periode van 1 oktober 2004 tot en met 31 oktober 2006 en vanaf 1 november 2006. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot intrekking.

4.11. Met hetgeen onder 4.6 en 4.10 is overwogen is tevens gegeven dat het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was om tot terugvordering van de over de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 oktober 2006 gemaakte kosten van bijstand over te gaan. Appellant heeft tegen de terugvordering geen afzonderlijke grieven aangevoerd, zodat deze verder buiten bespreking kan blijven.

4.12. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep voor zover gericht tegen de intrekking en terugvordering niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

4.13. Appellant heeft nog aangevoerd dat hij vanwege de stopzetting van de bijstand met ingang van 1 november 2006 in betalingsproblemen is gekomen. De Raad stelt vast dat appellant tegen de stopzetting van de betaling van bijstand met ingang van 1 november 2006, welke handeling ingevolge artikel 79 van de WWB met een voor beroep vatbaar besluit in de zin van artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt gelijkgesteld, geen rechtsmiddel heeft aangewend. Nu deze kwestie buiten de omvang van het onderhavige geding valt, zal de Raad het hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de stopzetting van de betaling van bijstand niet-ontvankelijk verklaren.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de stopzetting van de betaling van bijstand niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en R.H.M. Roelofs en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2010.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) C. de Blaeij.

IJ