Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM1313

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-03-2010
Datum publicatie
15-04-2010
Zaaknummer
08/5910 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevoegdheid. De Raad constateert dat het kwijtscheldingsbeleid niet voorziet in de mogelijkheid om van (verdere) invordering af te zien om redenen gelegen in de persoon van betrokkene en/of de omstandigheden waarin hij of zij verkeert. Vorderingen worden immers uitsluitend buiten invordering gesteld, indien dit vanuit bestuurlijk oogpunt efficiënt of wenselijk is. De Raad moet dan ook vaststellen dat, nu slechts in het belang van het College tot kwijtschelding kan worden overgegaan, het door het College ten tijde hier van belang gevoerde kwijtscheldingsbeleid niet berust op een belangenafweging in abstracto, waarin de belangen van de debiteuren, zoals appellante, zijn meegewogen. Naar het oordeel van de Raad gaat een dergelijk beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2010/145
JWWB 2010, 111
ABkort 2010/150
JB 2010/145 met annotatie van M.A. Heldeweg
JIN 2010/570
USZ 2010/133 met annotatie van Balkema
JIN 2010/614
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5910 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 1 september 2008, 07/839 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het dagelijks bestuur van de ISD Noordenkwartier, lees: het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordenveld (hierna: College)

Datum uitspraak: 23 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.T. Dieters, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. B. van Dijk, kantoorgenoot van mr. Dieters. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Tellinga, werkzaam bij de gemeente Noordenveld.

II. OVERWEGINGEN

1. Zoals ook - onbestreden - in de aangevallen uitspraak is overwogen, is het in deze zaak door het dagelijks bestuur van de ISD Noordenkwartier genomen besluit ten onrechte genomen op eigen naam. Gegeven de bekrachtiging door het College, dient thans het College als verwerende partij te worden aangemerkt. In deze uitspraak wordt in voorkomend geval onder College (mede) het dagelijks bestuur van de ISD Noordenkwartier verstaan.

2. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

2.1. Bij besluit van 8 juli 1997 heeft het College van appellante een bedrag teruggevorderd van fl. 20.330,94 (€ 9.225,78) aan ten onrechte verleende kosten van bijstand. Met een aanmaning van 17 mei 2006 heeft het College appellante verzocht het restant van € 3.216,88 van deze (fraude)vordering binnen 14 dagen te voldoen.

2.2. Bij brief van 16 juni 2006 heeft appellante verzocht om kwijtschelding van dit bedrag op de grond dat zij al geruime tijd op de vordering heeft afgelost.

2.3. Onder verwijzing naar zijn beleid ten aanzien van het buiten invordering stellen van vorderingen, neergelegd in het Debiteurenplan 2005 - 2007, heeft het College bij besluit van 27 juni 2006, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 augustus 2007, een verzoek om kwijtschelding van appellante afgewezen.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van 16 augustus 2007 ongegrond verklaard.

4. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Daarbij heeft zij onder meer het kwijtscheldingsbeleid ter discussie gesteld en betoogd dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenveroordeling heeft uitgesproken.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. De Raad stelt, ambtshalve, vast dat de rechtbank in de overwegingen van de aangevallen uitspraak wel tot uitdrukking heeft gebracht dat het dagelijks bestuur van de ISD Noordenkwartier onbevoegd was het besluit van 16 augustus 2007 te nemen, maar heeft nagelaten daaraan de consequentie van vernietiging van dat besluit te verbinden. Reeds om die reden komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 16 augustus 2007 gegrond verklaren en dit besluit vernietigen omdat het onbevoegd is genomen. Omdat het College dat besluit heeft bekrachtigd, zal de Raad in het navolgende bezien of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 16 augustus 2007 in stand kunnen worden gelaten.

5.2. De artikelen 58 en 59 van de WWB brengen met zich dat ten onrechte gemaakte kosten van bijstand kunnen worden teruggevorderd. Het gaat daarbij - naar de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever - om een discretionaire bevoegdheid van het college. De bevoegdheid om geheel of gedeeltelijk af te zien van (verdere) terugvordering moet hierin besloten worden geacht.

5.3. Ter invulling van deze bevoegdheid is beleid vastgesteld, zoals uitgewerkt in het Debiteurenplan 2005 – 2007. Dit plan moet worden aangemerkt als een samenstel van beleidsregels in de zin van artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Onderdeel daarvan is het beleid ten aanzien van het buiten invordering stellen van vorderingen. Uitgangspunt daarbij is dat alle vorderingen volledig moeten worden voldaan en dat in beginsel niet tot kwijtschelding wordt overgegaan, tenzij het gaat om vorderingen die nooit geïnd zullen worden. “In die gevallen zal, ook met het oog op een kosten-batenanalyse, op enig moment besloten moeten worden de vordering buiten invordering te stellen”, aldus het Debiteurenplan 2005 - 2007. Volgens deze beleidsregel moet goed worden onderzocht “of er nu of in de toekomst nog mogelijkheden voor inning zijn dan wel of het wenselijk is (bijvoorbeeld in verband met een schuldenregeling, vergroten van kans op werkaanvaarding) de vordering buiten invordering te stellen.”

De Raad constateert dat het kwijtscheldingsbeleid niet voorziet in de mogelijkheid om van (verdere) invordering af te zien om redenen gelegen in de persoon van betrokkene en/of de omstandigheden waarin hij of zij verkeert. Vorderingen worden immers uitsluitend buiten invordering gesteld, indien dit vanuit bestuurlijk oogpunt efficiënt of wenselijk is. De Raad moet dan ook vaststellen dat, nu slechts in het belang van het College tot kwijtschelding kan worden overgegaan, het door het College ten tijde hier van belang gevoerde kwijtscheldingsbeleid niet berust op een belangenafweging in abstracto, waarin de belangen van de debiteuren, zoals appellante, zijn meegewogen. Naar het oordeel van de Raad gaat een dergelijk beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten.

5.4. Gelet op hetgeen is overwogen onder 5.2 en 5.3, kan het op de beleidsregels van het College berustende besluit van 16 augustus 2007, waarbij de afwijzing van het verzoek van appellante om kwijtschelding is gehandhaafd, wegens strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb geen stand houden. Hieruit volgt dat de rechtsgevolgen van dat te vernietigen besluit niet in stand kunnen worden gelaten. De Raad zal het College dan ook opdragen opnieuw op het bezwaar tegen het besluit van 27 juni 2006 te beslissen met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen.

6. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 16 augustus 2007;

Draagt het College op opnieuw op het bezwaar tegen het besluit van 27 juni 2006 te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2010.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) J.M. Tason Avila.

RB