Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM1292

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-04-2010
Datum publicatie
20-04-2010
Zaaknummer
09-4332 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAJONG-uitkering. Pervasieve ontwikkelingsstoornis. Onvoldoende medische en arbeidskundige onderbouwing.

Wetsverwijzingen
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2010/159
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4332 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 15 juli 2009, 08/1746 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

het Uwv.

Datum uitspraak: 14 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. E.M.A. Leijser, advocaat te Tilburg, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers. Namens betrokkene is verschenen mr. Leijser.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), zoals die luidden tot 1 januari 2010.

1.2. Betrokkene, geboren [in] 1986, heeft op 22 mei 2007 een aanvraag om een uitkering krachtens de Wajong ingediend vanwege voor zijn zeventiende levensjaar ontstane arbeidsongeschiktheid.

1.3. Bij besluit van 17 september 2007 heeft appellant geweigerd betrokkene in aanmerking te laten komen voor een Wajong-uitkering. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat bij betrokkene sprake is van een pervasieve ontwikkelingsstoornis, maar dat hij per [datum in] 2003 met inachtneming van zijn medische beperkingen, vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 29 augustus 2007, gedurende de gehele dag in staat is tot het verrichten van werkzaamheden in passende functies. Betrokkene heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.4. In bezwaar heeft een medische en arbeidskundige heroverweging plaatsgevonden. De bezwaarverzekeringsarts heeft na onderzoek in haar rapportage van 29 januari 2008 geconcludeerd dat er geen medische argumenten zijn om af te wijken van het primaire oordeel. Aan deze rapportage wordt het volgende ontleend:

“Betrokkene heeft behoefte aan een vaste begeleider: ter voorkoming van stress op de werkplek een coach of aanspreekpersoon aanwezig te zijn met wie betrokkene problemen kan bespreken. Hij heeft ondersteuning nodig bij zaken waar hij reeds mee bekend is. Daarnaast heeft hij activerende begeleiding nodig bij voor hem nieuwe zaken. In de werksituatie moet er enige aansturing zijn: bijvoorbeeld iemand die de werkzaamheden verduidelijkt, of op wie teruggevallen kan worden in geval van problemen. Bijvoorbeeld onder leiding en/of toezicht van een chef, lijnassistent, vestigingsmanager of groepsleider, zodat een duidelijk benoemde en herkenbare aanspreekpersoon aanwezig is. Er is géén noodzaak voor rechtstreeks voortdurend toezicht, voortdurende intensieve en individuele begeleiding.”

Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapportage van 18 februari 2008 vastgesteld dat de aan de schatting ten grondslag liggende functies blijven binnen de belastbaarheid van betrokkene.

1.5. Appellant heeft bij besluit van 26 februari 2008 (hierna: bestreden besluit) het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard. Betrokkene heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

1.6. In beroep heeft de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapportage van 5 november 2008 uiteengezet dat betrokkene per

[datum] (zeventiende verjaardag), per [datum] (achttiende verjaardag) alsook op de eerstmogelijke ingangsdatum van de Wajong-uitkering (een jaar voor de aanvraag), niet arbeidsongeschikt is in de zin van de Wajong.

2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en appellant opgedragen met inachtneming van die uitspraak een nieuw besluit op het bezwaarschrift te nemen. De rechtbank heeft verder beslissingen gegeven omtrent vergoeding van griffierecht en proceskostenveroordeling.

2.2. Aan de aangevallen uitspraak wordt het volgende ontleend, waar voor eiser en verweerder dient te worden gelezen: betrokkene en appellant

“De rechtbank is er niet van overtuigd dat de opsomming zoals die door de bezwaarverzekeringsarts is opgenomen in zijn rapportage van 29 januari 2008 en die toeziet op de behoeftes van eiser (zoals een vaste begeleider/coach, ondersteunende en activerende begeleiding en aansturing) niet opgenomen hoeft te worden in de FML. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting verklaard dat deze opsomming ziet op de situatie van eiser per [datum in] 2003 en [datum in] 2004. Verder merkt de gemachtigde van verweerder op dat alleen als iemand met een vaste begeleider moet werken dit vermeld wordt in de FML. Volgens de gemachtigde van verweerder is de behoefte aan een vast aanspreekpunt geen punt dat in de FML opgenomen hoeft te worden. De rechtbank kan verweerder daarin niet volgen. Zo verweerder meent dat er bij het duiden van functies rekening moet worden gehouden met een aantal aspecten/rand-voorwaarden, zullen deze aspecten opgenomen moeten worden in de FML. Alleen op deze manier wordt gewaarborgd dat er bij het duiden van functies op een inzichtelijke manier rekening kan worden gehouden met deze aspecten. Bij gebreke daarvan is de FML geen juiste weergave van de beperkingen van eiser. De gemachtigde van verweerder heeft verder nog verklaard dat bij het duiden van functies wel rekening is gehouden met de opsomming van de bezwaarverzekeringsarts, nu in de geduide functies sprake is van een groepshoofd/teamleider/chef die in geval van problemen geraadpleegd kan worden en voor begeleiding kan zorgen. Deze verklaring is voor de rechtbank ontoereikend. Met verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 19 september 2006 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer AY8542) overweegt de rechtbank dat verweerder door te verwijzen naar de aanwezigheid van een leidinggevende, miskent dat de aanwezigheid van een leidinggevende niet kan worden gelijkgesteld met de door de bezwaarverzekeringsarts opgesomde begeleiding die eiser bij het verrichten van werkzaamheden nodig heeft, gegeven de beperkingen van eiser en de door hem in het verleden in werksituaties reeds ondervonden problematiek.

Voorts overweegt de rechtbank dat in de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 29 januari 2008 is vermeld dat eiser op dat moment een grotere behoefte heeft aan medische hulp en ondersteuning. Hieruit blijkt dat er zich op een bepaald moment na het 17e levensjaar een wijziging in de belastbaarheid heeft voorgedaan. De rechtbank is van oordeel dat verweerder had moeten beoordelen per wanneer die wijziging zich heeft voorgedaan en of er, gelet op het bepaalde in artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wajong, mogelijk recht bestaat op toekenning van een Wajong-uitkering per een latere datum. Nu verweerder de aanvraag alleen heeft aangemerkt als een aanvraag om een Wajong-uitkering per het 18e levensjaar, is de rechtbank van oordeel dat verweerder daarmee een te beperkte uitleg aan die aanvraag heeft gegeven.”

3.1.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de FML van 29 augustus 2007 een juiste weergave is van de beperkingen en mogelijkheden van betrokkene. Een FML kan niet los worden gezien van de verzekeringsgeneeskundige rapportage. Betrokkene is in de werksituatie aangewezen op een vast aanspreekpunt, doch er is geen noodzaak voor rechtstreeks voortdurend toezicht of één op één begeleiding. De geduide functies zijn door de bezwaararbeidsdeskundige op dit aspect onderzocht op geschiktheid en als zodanig ook geschikt bevonden.

3.1.2. Ten aanzien van de wijziging die zich na het zeventiende levensjaar heeft voorgedaan, heeft appellant er op gewezen dat beoordeeld is de gezondheidssituatie van betrokkene per [datum] (zeventiende verjaardag), per [datum] (achttiende verjaardag) alsmede zijn situatie een jaar voor de aanvraag van 22 mei 2007. Appellant meent dat de aanvraag op juiste wijze is beoordeeld en dat niet een te beperkte uitleg is gegeven aan die aanvraag.

3.2. Namens betrokkene is in verweer verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad stelt allereerst vast dat de aanvraag van betrokkene inhoudt dat hij, gelet op de artikelen 5, eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 6, eerste lid, van de Wajong, recht meent te hebben op een Wajong-uitkering per [datum in] 2004. De Raad is – ambtshalve – van oordeel dat de door de bezwaarverzekeringsarts op 29 januari 2008 geconstateerde wijziging in de belastbaarheid van betrokkene sedert het onderzoek van de primaire verzekeringsarts op 16 augustus 2007 buiten het bereik van de aanvraag valt, zodat de rechtbank met haar oordeel dat het Uwv had moeten onderzoeken per wanneer die wijziging zich heeft voorgedaan, buiten de omvang van het geding is getreden.

De aangevallen uitspraak dient daarom vanwege strijd met artikel 8:69 van de Awb te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Raad als volgt.

4.2. De grief van appellant dat de FML van 29 augustus 2007 een juiste weergave vormt van de beperkingen en mogelijkheden van betrokkene, slaagt niet. De Raad stelt vast dat in de FML beperkingen zijn aangenomen ten aanzien van de aspecten 1.9.5 (aangewezen op een voorspelbare werksituatie), 2.7.1 (eigen gevoelens uiten is beperkt) en 2.9.1 (samenwerken is beperkt). Op grond van de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 29 januari 2008 komt de Raad tot de conclusie dat betrokkene, meer dan een gemiddelde werknemer, van regelmatige en zorgvuldige begeleiding afhankelijk is en dat dit als een beperking van diens functionele mogelijkheden moet worden beschouwd. De Raad is van oordeel dat appellant met deze beperking onvoldoende rekening heeft gehouden in de FML. Met verwijzing naar zijn uitspraak van 28 januari 2009 (LJN BH2262) overweegt de Raad dat zonder nadere motivering niet valt in te zien waarom de noodzaak van deze begeleiding niet in de FML zou kunnen worden weergegeven onder het aspect 1.9.3: ‘aangewezen op werk dat onder rechtstreeks toezicht en/of onder intensieve begeleiding wordt uitgevoerd’. In dat verband wijst de Raad er nog op dat in de Basisinformatie CBBS versie 7-7-2009 bij beoordelingspunt 1.9.3 wordt toegelicht dat er grofweg drie niveau’s van toezicht en/of begeleiding te onderscheiden zijn.

4.3. De Raad kan appellant voorts niet volgen in het standpunt dat de voor betrokkene geselecteerde functies alle voldoen aan de door de bezwaarverzekeringsarts in haar rapportage van 29 januari 2008 ten aanzien van betrokkene aangenomen beperkingen. De Raad stelt vast dat aan de schatting ten grondslag liggen de functies archiefmedewerker (Sbc-code 315130), samensteller metaalwaren (Sbc-code 264140) en samensteller kunststof en rubberindustrie (Sbc-code 271130). Volgens het Resultaat Functiebeoordeling werkt de verzekerde in deze functies onder leiding van een groepshoofd (archiefmedewerker), een teamleider (samensteller metaalwaren) of een chef van de afdeling met een meewerkend voorvrouw in een groep van vier medewerkers (samensteller kunststof en rubberindustrie). Volgens de toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapportage van 18 februari 2008 kan het groepshoofd, de teamleider of meewerkend voorvrouw in geval van problemen geraadpleegd worden en voor begeleiding zorgen. De Raad is van oordeel dat deze toelichting ontoereikend is om te kunnen beoordelen of met betrekking tot de functies archiefmedewerker en samensteller metaalwaren voldaan is aan de door de bezwaarverzekeringsarts in haar rapportage van 29 januari 2008 opgenomen opsomming van behoeftes van betrokkene aan begeleiding bij het werk. De Raad is van oordeel dat de verwijzing naar een leidinggevende als een groepshoofd bij de functie van archiefmedewerker of een teamleider bij de functie van samensteller metaalwaren niet kan worden gelijkgesteld met de door de bezwaarverzekeringsarts opgesomde begeleiding die betrokkene bij het verrichten van arbeid nodig heeft. Niet blijkt in hoeverre is voorzien in een regelmatige en zorgvuldige begeleiding, die betrokkene meer dan een gemiddelde werknemer behoeft. Evenmin blijkt of er in deze functies sprake is van een leidinggevende die door zijn aanwezigheid regelmatig een oogje in het zeil kan houden en, indien nodig, op eigen initiatief, kan ingrijpen of op wie betrokkene kan terugvallen in geval van problemen. De Raad is van oordeel dat gegeven de functiebeschrijving in de functie van samensteller kunststof en rubberindustrie door de aanwezigheid van een meewerkend voorvrouw in een groep van vier medewerkers wel is voldaan aan de door de bezwaarverzekeringsarts gegeven opsomming van betrokkenes behoefte aan specifieke begeleiding.

4.4. De Raad is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onder 4.2 en 4.3 van oordeel dat het bestreden besluit een afdoende medische en arbeidskundige onderbouwing ontbeert. Het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit dient gegrond worden verklaard en dat besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. Appellant zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

5. De Raad ziet aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten, die betrokkene redelijkerwijs in beroep en hoger beroep heeft moeten maken. Deze kosten zijn in beroep begroot op een bedrag van € 644,- wegens verleende rechtsbijstand en in hoger beroep op een bedrag van € 644,- wegens verleende rechtsbijstand, in totaal een bedrag van

€ 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat appellant een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in beroep en hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-, te voldoen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat appellant aan betrokkene het in beroep betaalde griffierecht van € 39,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2010.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.D.F. de Moor.

EK