Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM1275

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-04-2010
Datum publicatie
15-04-2010
Zaaknummer
08-2990 ANW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad is van oordeel dat appellant alvorens te beslissen op de aanvraag van betrokkene om postume toelating van haar echtgenoot tot de vrijwillige ANW-verzekering zorgvuldig had moeten uitzoeken of de belastingdienst de echtgenoot van betrokkene terecht als verplicht verzekerd voor een of meer volksverzekeringen heeft aangemerkt. Daarbij acht de Raad van belang dat op grond van de thans bekende gegevens niet aangenomen kan worden dat de belastingdienst ten onrechte premies volksverzekeringen heeft geheven. De gemachtigde van appellant heeft ter zitting van de Raad er op gewezen dat indien komt vast te staan dat de echtgenoot van betrokkene door de belastingdienst op 30 december 2004 tevens – en terecht – verplicht verzekerd is geacht krachtens de ANW, dat dan ook terecht toelating tot de vrijwillige ANW-verzekering is geweigerd. Dit laat echter onverlet dat die eventuele vaststelling tevens het aan deze procedure ten grondslag liggende geschil - zijnde de weigering van een ANW-uitkering - zou oplossen, omdat betrokkene in dat geval in beginsel recht zou hebben op een ANW-uitkering. Vernietiging besluit. Nieuw besluit op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2990 ANW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 april 2008, 06/5557

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [Betrokkene], Duitsland (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 7 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens heeft zij nog twee brieven aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2010. Appellant heeft zich daarbij laten vertegenwoordigen door mr. B.T.S.J. Maarschalkerweerd. Betrokkene is daarbij in persoon verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene, geboren [in] 1943, [in] 1983 gehuwd met [naam partner], geboren op [in] 1920. De echtgenoot van betrokkene is in ieder geval tot en met juni 1985 werkzaam geweest in Nederland. Vervolgens is aan hem door appellant een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend. Met ingang van 30 juni 1989 zijn betrokkene en haar echtgenoot verhuisd naar Duitsland. Op 30 december 2004 is de echtgenoot van betrokkene aldaar overleden.

1.2. Nadat door appellant was geweigerd een uitkering krachtens de Algemene nabestaandenwet (ANW) aan betrokkene toe te kennen, heeft zij in juni 2006 aan appellant gevraagd haar echtgenoot alsnog postuum toe te laten tot de vrijwillige verzekering krachtens de ANW.

1.3. Bij beslissing op bezwaar van 26 oktober 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft appellant zijn besluit van 21 juli 2006 gehandhaafd, waarbij aan betrokkene is medegedeeld dat zij niet bevoegd is namens haar overleden echtgenoot deel te nemen aan de vrijwillige verzekering krachtens de ANW op grond van het Besluit vrijwillige verzekering AOW en ANW voor in de Europese Unie wonende uitkeringsgerechtigden van 19 december 2005, Stb. 720 (hierna: KB 720). Daarbij is overwogen dat de echtgenoot van betrokkene vanaf 1 januari 2000 niet verplicht verzekerd is gebleven in Nederland voor ten minste één Nederlandse sociale verzekering.

1.4. Namens betrokkene zijn zowel bij haar aanvraag als in beroep belastingaanslagen overgelegd over respectievelijk 2000 en 2004. Daaruit blijkt dat in beide jaren premie volksverzekeringen is geheven van de echtgenoot van betrokkene. Voorts is overgelegd een beslissing van appellant uit 2001, waaruit blijkt dat de echtgenoot van betrokkene met ingang van 1 januari 2000 is toegelaten tot de vrijwillige verzekering krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Daartoe is overwogen dat uit de overgelegde belastingaanslagen blijkt dat de echtgenoot van betrokkene in 2004 voor een of meer volksverzekeringen belastingplichtig was in Nederland en dat dit feit de vraag oproept of appellant betrokkene op grond van het zo genoemde Propawabeleid niet alsnog in de gelegenheid dient te stellen deel te nemen aan de vrijwillige verzekering.

3. Appellant heeft in hoger beroep, onder meer, aangevoerd dat de betaalde premie volksverzekeringen geen betrekking heeft op de ANW, maar op de AWBZ. Dit betekent dat de betaling van deze premies nimmer kan leiden tot toepassing van het Poprawabeleid. Ter zitting is door appellant, naar aanleiding van een vraag van de Raad, medegedeeld dat de betaalde premies volksverzekeringen ook niet tot toepassing van KB 720 kunnen leiden, omdat die premies ten onrechte zijn geheven, gelet op de vrijwillige verzekering voor de AWBZ van de echtgenoot van betrokkene.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. In dit geschil ziet de Raad zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of de rechtbank het bestreden besluit terecht heeft vernietigd wegens een onzorgvuldige voorbereiding als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.2. De Raad stelt vast dat betrokkene gegevens overgelegd heeft waaruit blijkt dat de belastingdienst, anders dan appellant, haar echtgenoot kennelijk vanaf 1 januari 2000 als verplicht verzekerd voor een of meer volksverzekeringen heeft aangemerkt. Ter zitting heeft betrokkene desgevraagd medegedeeld dat deze aanslagen samenhingen met inkomsten die haar echtgenoot na zijn verhuizing naar Duitsland in Nederland heeft verworven in het kader van de exploitatie van een gebouw in Nederland. In verband hiermee ging haar echtgenoot regelmatig naar Nederland. Voorts stelt de Raad vast dat niet geheel duidelijk is voor welke volksverzekeringen de premies zijn geheven. Nu de echtgenoot van betrokkene de leeftijd van 65 jaar al in 1985 had bereikt kan de premie geen betrekking hebben op de AOW. Verder blijkt uit de aanslag over 2004 dat tot en met 24 december 2004 een vrijstelling voor de ANW-verzekering bestond. Onduidelijk is echter waarop die vrijstelling was gebaseerd en of daaruit volgt dat na die datum weer sprake was van een verplichte verzekering. Gezien de in de aanslagen genoemde premiepercentages had de geheven premie in ieder geval betrekking op de AWBZ.

4.3. Mede gelet op de samenhang van de onderhavige procedure met de weigering een ANW-uitkering aan betrokkene toe te kennen, is de Raad van oordeel dat appellant alvorens te beslissen op de aanvraag van betrokkene om postume toelating van haar echtgenoot tot de vrijwillige ANW-verzekering zorgvuldig had moeten uitzoeken of de belastingdienst de echtgenoot van betrokkene terecht als verplicht verzekerd voor een of meer volksverzekeringen heeft aangemerkt. Daarbij acht de Raad van belang dat op grond van de thans bekende gegevens niet aangenomen kan worden dat de belastingdienst ten onrechte premies volksverzekeringen heeft geheven.

4.4. Voorts wijst de Raad erop dat duidelijkheid omtrent de grondslag van de premieheffing door de belastingdienst voor dit geschil van wezenlijk belang is. Indien komt vast te staan dat de echtgenoot van betrokkene verplicht verzekerd was krachtens de AWBZ in 2004, dan lijkt immers sprake van een situatie waarin appellant, op grond van KB 720, betrokkene postuum in de gelegenheid had moeten stellen namens haar echtgenoot deel te nemen aan de vrijwillige ANW-verzekering. Tevens zou deze vaststelling wellicht nog betekenis kunnen of moeten hebben voor de heffing van premie voor de vrijwillige ABWZ-verzekering.

4.5. De gemachtigde van appellant heeft er ten slotte ter zitting van de Raad terecht op gewezen dat indien komt vast te staan dat de echtgenoot van betrokkene door de belastingdienst op 30 december 2004 tevens – en terecht – verplicht verzekerd is geacht krachtens de ANW, dat dan ook terecht toelating tot de vrijwillige ANW-verzekering is geweigerd. Dit laat echter onverlet dat die eventuele vaststelling tevens het aan deze procedure ten grondslag liggende geschil - zijnde de weigering van een ANW-uitkering - zou oplossen, omdat betrokkene in dat geval in beginsel recht zou hebben op een ANW-uitkering.

4.6. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt, met dien verstand dat appellant een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 376,- voor reis- en verblijfskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 376,-;

Bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 433,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 april 2010.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) N.M. van Gorkum.

KR