Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM1251

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-03-2010
Datum publicatie
15-04-2010
Zaaknummer
08/118 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing langdurigheidstoeslag. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat hetgeen door appellante is aangevoerd omtrent haar analfabetisme en medische problematiek betrekking heeft op de opgelegde maatregel en dat deze gronden in een procedure tegen het besluit van 29 september 2005 hadden kunnen en moeten worden aangevoerd. Nu appellante geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 29 september 2005 en dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden, kunnen deze gronden in de onderhavige procedure niet meer worden ingebracht. De Raad overweegt voorts dat niet aannemelijk is geworden dat appellante gedurende de hele referteperiode niet bemiddelbaar was en ongeschikt is gebleven voor het verrichten van arbeid op de vrije arbeidsmarkt. Uit het rapport van 2 september 2005 dat aan het besluit van 29 september 2005 ten grondslag ligt, blijkt bovendien dat appellante beschikbaar was voor arbeid en dat zij slechts tijdelijk was ontheven van de verplichting om te solliciteren vanwege het volgen van een taalcursus.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2010, 127
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/118 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 21 november 2007, 06/2510 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht (hierna: College)

Datum uitspraak: 23 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. O.T.J.A. Kicken, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft geen verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2010. Voor appellante is verschenen mr. Kicken. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. Bij besluit van 29 september 2005 heeft het College aan appellante een maatregel opgelegd bestaande uit een verlaging van de uitkering met 50% voor de duur van een maand, op de grond dat appellante de inschakeling in de arbeid belemmert.

1.3. Bij besluit van 9 juni 2006 heeft het College de aanvraag van appellante van 9 mei 2006 voor een langdurigheidstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de WWB afgewezen. Het daartegen door appellante gemaakte bezwaar is bij besluit van 30 oktober 2006 ongegrond verklaard. Het College heeft daarbij overwogen dat appellante gedurende de in artikel 36 van de WWB genoemde referteperiode onvoldoende heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden. In dat verband heeft het College gewezen op de aan appellante bij besluit van 29 september 2005 opgelegde maatregel van 50% wegens belemmering van inschakeling in de arbeid, tegen welk besluit appellante geen bezwaar heeft gemaakt, zodat dat besluit onherroepelijk is geworden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 30 oktober 2006 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de WWB verleent het college op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 23 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die, voor zover hier van belang, (a) gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden een inkomen heeft dat niet hoger is dan de bijstandsnorm en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft en (c) gedurende de in onderdeel a bedoelde periode (de referteperiode) naar het oordeel van het college voldoende heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden.

4.2. Het College heeft voor de vaststelling of is voldaan aan de in artikel 36, eerste lid, aanhef en onder c, van de WWB gestelde voorwaarde geen beleidsregel vastgesteld.

4.3. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het College zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet aan de in artikel 36, eerste lid, aanhef en onder c, van de WWB gestelde voorwaarde is voldaan en overweegt daartoe als volgt.

4.4. De Raad is van oordeel dat het College bij zijn oordeelsvorming of is voldaan aan de in artikel 36, eerste lid, aanhef en onder c, van de WWB genoemde voorwaarde in redelijkheid de binnen de referteperiode bij besluit van 29 september 2005 aan appellante opgelegde maatregel heeft kunnen betrekken. De Raad wijst er in dat verband op dat dit in overeenstemming is met de uitleg die de Staatssecretaris in zijn brief van 7 december 2004 over artikel 36, eerste lid, aanhef en onder c, van de WWB heeft gegeven aan de commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Kamerstukken II 28 870, nr. 127). Daarin is aangegeven dat de gemeenten zelf bepalen of, en in welke mate sancties en boetes die in het verleden aan de belanghebbende zijn opgelegd in dit kader relevant zijn en dat in beginsel alleen sancties die het gevolg zijn van verwijtbaar handelen van de belanghebbende ten aanzien van zijn arbeidsinschakeling een rol kunnen spelen.

4.5. In dit verband blijkt uit het rapport van 2 september 2005 dat gedurende de hier aan de orde zijnde referteperiode aan appellante arbeidsverplichtingen waren opgelegd. Voorts staat vast dat bij besluit van 29 september 2005 aan appellante een maatregel is opgelegd vanwege belemmering van inschakeling in de arbeid en dat derhalve sprake was van verwijtbaar handelen van appellante ten aanzien van haar arbeidsinschakeling. Uit de motivering van het besluit van 29 september 2005 blijkt immers dat appellante had aangegeven niet te kunnen werken vanwege het volgen van een scholing Nederlandse taal, terwijl uit onderzoek was gebleken dat appellante geen scholing meer volgde. Voorts is in het besluit van 29 september 2005 overwogen dat het feit dat het Nederlandse taalniveau van appellante nihil is, grotendeels is te wijten aan de geringe inzet van appellante tijdens de Nederlandse les. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat hetgeen door appellante is aangevoerd omtrent haar analfabetisme en medische problematiek betrekking heeft op de opgelegde maatregel en dat deze gronden in een procedure tegen het besluit van 29 september 2005 hadden kunnen en moeten worden aangevoerd. Nu appellante geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 29 september 2005 en dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden, kunnen deze gronden in de onderhavige procedure niet meer worden ingebracht.

4.7. De Raad overweegt voorts dat niet aannemelijk is geworden dat appellante gedurende de hele referteperiode niet bemiddelbaar was en ongeschikt is gebleven voor het verrichten van arbeid op de vrije arbeidsmarkt. Uit het rapport van 2 september 2005 dat aan het besluit van 29 september 2005 ten grondslag ligt, blijkt bovendien dat appellante beschikbaar was voor arbeid en dat zij slechts tijdelijk was ontheven van de verplichting om te solliciteren vanwege het volgen van een taalcursus.

4.8. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en A.B.J. van der Ham en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van N.M van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2010.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) N.M. van Gorkun.

mm