Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM1225

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-04-2010
Datum publicatie
15-04-2010
Zaaknummer
08-2079 AKW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening, weigering en terugvordering kinderbijslag. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant niet op eenvoudig controleerbare wijze aangetoond dat hij zijn kinderen vanaf het vierde kwartaal van 1998 tot en met het vierde kwartaal van 2004 respectievelijk vanaf het vierde kwartaal van 2003 tot en met het vierde kwartaal van 2004 in belangrijke mate heeft onderhouden. Geen verjaring van de rechtsvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2079 AKW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 11 maart 2008, 06/687 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

De Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 7 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. El Kadi, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2010. Appellant en zijn gemachtigde zijn daarbij verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft tot en met het tweede kwartaal van 2004 kinderbijslag ontvangen voor zijn kinderen [naam kind 1], geboren op [in] 1991, en [naam kind 2] en [naam kind 3], beiden geboren op [in] 1997. De Svb is er daarbij van uitgegaan dat deze kinderen behoorden tot het huishouden van appellant, zodat appellant ten aanzien van hen niet aan de zogenoemde onderhoudseis behoefde te voldoen.

1.2. In juni 2004 heeft de Svb vastgesteld dat de kinderen niet meer bij appellant op zijn adres wonen en appellant verzocht hierover informatie te verschaffen. Hierop heeft de Svb in augustus 2004 de informatie ontvangen dat [naam kind 1] na het overlijden van zijn moeder in november 1997 vanaf september 1998 tot en met augustus 2004 in Marokko heeft gewoond en daar ook de school heeft bezocht. [naam kind 2] en [naam kind 3] zijn in september 2002 naar Marokko vertrokken. Appellant heeft de Svb te kennen gegeven dat de kinderen steeds ingeschreven hebben gestaan op zijn woonadres in Nederland en tijdens de schoolvakanties regelmatig in Nederland verblijven. Appellant heeft alle kosten voor de kinderen voor zijn rekening genomen.

1.3. In vervolg op de mededelingen van appellant is een onderzoek ingesteld naar de mate waarin appellant in het onderhoud van zijn kinderen heeft bijgedragen. Appellant is alsnog in de gelegenheid gesteld gegevens over te leggen om het onderhoud van zijn kinderen aan te tonen.

1.4. Bij besluit van 22 februari 2005 heeft de Svb aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van het vierde kwartaal van 1998 voor [naam kind 1] geen recht heeft op kinderbijslag, aangezien [naam kind 1] uitwonend is en niet in belangrijke mate door appellant wordt onderhouden. Bij afzonderlijk besluit van 22 februari 2005 heeft de Svb meegedeeld dat appellant met ingang van het vierde kwartaal van 2003 geen recht heeft op kinderbijslag voor [naam kind 2] en [naam kind 3], aangezien ook deze kinderen uitwonend zijn en niet in belangrijke mate door appellant worden onderhouden. In een schrijven van eveneens 22 februari 2005 heeft de Svb aangekondigd de te veel betaalde kinderbijslag van appellant te zullen terugvorderen en een boete te zullen opleggen.

1.5. Bij besluit van 3 mei 2005 heeft de Svb de te veel betaalde kinderbijslag tot een bedrag van € 6.781,31 van appellant teruggevorderd en aan appellant een boete opgelegd van € 132,--.

1.6. Bij besluit op bezwaar van 5 december 2005 heeft de Svb de bezwaren van appellant tegen de herziening, weigering en terugvordering van de kinderbijslag bij de besluiten van 22 februari 2005 en 3 mei 2005, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 5 december 2005 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat de kinderen van appellant vanaf het moment waarop zij in Marokko zijn gaan wonen, niet meer behoren tot zijn huishouden. Dat betekent dat appellant slechts aanspraak kan maken op kinderbijslag indien hij kan aantonen dat hij zijn kinderen in belangrijke mate heeft onderhouden. De rechtbank is van oordeel dat de overgelegde stukken slechts ten dele voldoen aan de maatstaven die hiervoor gelden en dat de bedragen van de betalingen onvoldoende zijn om te kunnen voldoen aan de vereiste onderhoudsbijdrage in de betreffende periodes.

3. Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat hij wel in voldoende mate heeft aangetoond zijn kinderen te hebben onderhouden. Appellant heeft daartoe verwezen naar de reeds eerder in de procedure overgelegde verklaringen van de Attajari wafabank, die als bewijs van stortingen op deze bank in Marokko kunnen dienen. Tevens is aangevoerd dat terugvordering van de betaalde kinderbijslag ten behoeve van [naam kind 1] onterecht is nu sprake is van verjaring van die vordering.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat, mede gezien de datum van de primaire besluiten, 22 februari 2005, het onderhavige geschil betrekking heeft op het recht op kinderbijslag voor [naam kind 1] over het vierde kwartaal van 1998 tot en met het vierde kwartaal van 2004 en voor [naam kind 2] en [naam kind 3] over het vierde kwartaal van 2003 tot en met het vierde kwartaal van 2004. Over het vierde kwartaal van 1998 tot en met het tweede kwartaal van 2004 was door de Svb aan appellant reeds kinderbijslag toegekend, zodat het in zoverre gaat om een herziening met terugwerkende kracht van een eerder toegekend recht. Voor zover de besluiten zien op het derde en vierde kwartaal van 2004 betreft het de weigering van kinderbijslag.

4.2. De Raad stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de kinderen van appellant gedurende de in overweging 4.1. genoemde tijdvakken in Marokko hebben verbleven en niet tot zijn huishouden behoorden. Dat betekent dat appellant slechts aanspraak op kinderbijslag heeft als hij gedurende de betreffende kwartalen heeft voldaan aan de bij en krachtens de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) gestelde voorwaarde dat hij zijn kinderen in belangrijke mate, dat wil zeggen vanaf oktober 1998 voor een bedrag van ten minste € 347,14 en vanaf oktober 2002 voor een bedrag van ten minste € 386,00 per kind per kwartaal, heeft onderhouden.

4.3. Ingevolge vaste rechtspraak van de Raad dient een verzekerde desgevraagd op een voor het uitvoeringsorgaan eenvoudig te controleren wijze - met name door middel van bankoverschrijvingen ten name van de kinderen zelf of van de persoon die de kinderen verzorgt - aan te tonen of aannemelijk te maken dat hij voor zijn niet in Nederland verblijvende kinderen heeft voldaan aan de voor hem geldende onderhoudsbijdrage.

4.4. Appellant heeft aangegeven dat zijn moeder, mevrouw [naam moeder], de drie kinderen in Marokko verzorgt. Met de overgelegde verklaringen van de Attijari wafabank van 16 en 25 mei 2005 wenst appellant aan te tonen dat zij als zijn gemachtigde in Marokko in de relevante periode geldbedragen heeft opgenomen en deze gebruikt heeft voor de verzorging van de kinderen. Voorts heeft appellant nog diverse rekeningen en betalingsbewijzen overgelegd betreffende energiekosten van het huis in Marokko en betreffende studiekosten en kosten van kleding ten behoeve van zijn kinderen.

4.5. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant hiermee niet op eenvoudig controleerbare wijze aangetoond dat hij zijn kinderen [naam kind 1], [naam kind 2] en [naam kind 3] vanaf het vierde kwartaal van 1998 tot en met het vierde kwartaal van 2004 respectievelijk vanaf het vierde kwartaal van 2003 tot en met het vierde kwartaal van 2004 in belangrijke mate heeft onderhouden. De Raad overweegt hiertoe dat de verklaringen van de Attijari wafabank achteraf zijn opgesteld en dat mede hierdoor onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de betreffende bedragen daadwerkelijk door mevrouw [naam moeder] zijn opgenomen. In het dossier zijn geen relevante ontvangstbewijzen aangetroffen, noch andere documenten die als bewijs daartoe zouden kunnen dienen. Tijdens de zitting van de Raad heeft appellant aangegeven dat hij destijds aan zijn moeder een boekje met door hem ondertekende cheques heeft overhandigd, waarmee zij - indien nodig - in Marokko geld kon opnemen. Nu de bankverklaringen echter geen opeenvolgende nummering van cheques vertonen overweegt de Raad dat appellant wellicht van meerdere chequeboekjes gebruik heeft gemaakt waardoor geldopnames door mevrouw [naam moeder] moeilijk te controleren zijn. Wat betreft de stortingsbewijzen van Western Union stelt de Raad vast dat het dossier slechts een enkel ontvangstbewijs bevat voor de relevante periode en dat het bedrag van die stortingen in ieder geval onvoldoende is om te kunnen voldoen aan de hiervoor genoemde onderhoudsbijdrage. Ten aanzien van de diverse door appellant gestelde uitgaven ten behoeve van de kinderen merkt de Raad op dat onvoldoende duidelijk is of het om kosten gaat die ten behoeve van de kinderen zijn gemaakt, dan wel of deze betrekking hebben op de periode in geding.

4.6. Appellants betoog dat niet kan worden teruggevorderd nu de vordering uit onverschuldigde betaling inmiddels is verjaard, kan niet slagen. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat bij de beoordeling van een beroep op verjaring analoge toepassing kan worden gegeven aan de in het Burgerlijk Wetboek (BW) neergelegde verjaringstermijn voor vorderingen uit onverschuldigde betaling. Terzake is van belang artikel 3:309 BW waarin is bepaald dat de rechtsvordering uit onverschuldigde betaling verjaart door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser zowel van het bestaan van zijn vordering, als met de persoon van de ontvanger is bekend geworden en in ieder geval twintig jaren nadat de vordering is ontstaan. Op grond hiervan kunnen onverschuldigde betalingen tot twintig jaar worden teruggevorderd mits de terugvordering plaatsvindt binnen vijf jaar nadat de onverschuldigde betaling bekend is geworden. Aan de terugvordering hier in geding ligt ten grondslag het feit dat de Svb er in juni 2004 mee bekend is geworden dat appellant heeft nagelaten te melden dat zijn kinderen in Marokko verbleven en appellant niet heeft kunnen aantonen in het onderhoud van zijn kinderen te hebben voorzien. Gelet hierop en gegeven het feit dat de Svb bij besluit van 3 mei 2005, derhalve ruim voordat bedoelde vijf jaren zijn verstreken, tot terugvordering is overgegaan, is van verjaring van de onderhavige rechtsvordering geen sprake.

4.7. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4.8. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 april 2010.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) N.M. van Gorkum.

CVG