Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM1203

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-03-2010
Datum publicatie
15-04-2010
Zaaknummer
08/3200 WWB + 09/3065 WWB
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3200 WWB

09/3065 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraken van de rechtbank Alkmaar van 9 april 2008, 07/1514 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en van 23 april 2009, 08/724 (hierna: aangevallen uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Wervershoof (hierna: College)

Datum uitspraak: 30 maart 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.F.M. Deijkers, advocaat te Enkhuizen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Deijkers en J.R. Swartz van de stichting Time-Out. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door L.M.M. Visser, werkzaam bij de gemeente Wervershoof.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 19 december 2001 algemene bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 27 januari 2003 heeft het College de bijstand alsnog met terugwerkende kracht verleend in de vorm van een geldlening onder verband van (krediet)hypotheek, waarbij het maximumbedrag van de geldlening is bepaald op € 21.848,00.

1.2. Bij besluit van 4 april 2006 heeft het College het recht op bijstand met ingang van1 maart 2006 opgeschort wegens het niet tijdig inleveren van het rechtmatigheidsformulier over de maand maart 2006.

1.3. Bij besluit van 14 december 2006 heeft het College de bijstand van appellante beëindigd (lees: ingetrokken) met ingang van 9 september 2005 wegens verzwegen vermogen boven de grens van het vrij te laten vermogen. Bij besluit op bezwaar van8 mei 2007 heeft het College de ingangsdatum van de intrekking alsnog gewijzigd van 9 september 2005 in 1 maart 2006.

1.4. Bij besluit van 26 juli 2007 heeft het College de aan appellante verleende bijstand over de periode van 9 september 2005 tot en met 28 februari 2006 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 7.958,47 bruto van haar teruggevorderd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante geen melding heeft gemaakt van een vermogen in de vorm van een banktegoed dat de grens van het vrij te laten vermogen overschreed. Bij besluit op bezwaar van 22 januari 2008 is het terug te vorderen bedrag deels omgezet in een nettobedrag en nader bepaald op € 6.537,97.

2. Tegen de besluiten van 8 mei 2007 en 22 januari 2008 heeft appellante beroep ingesteld. Bij de aangevallen uitspraken van 9 april 2008 en 23 april 2009 zijn deze beroepen ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraken gekeerd. Daartoe heeft appellante, samengevat, aangevoerd dat het College bij de vaststelling van het vermogen ten onrechte geen rekening heeft gehouden met een schuld van appellante uit hoofde van gemeentelijke belastingen en evenmin met misgelopen fiscale voordelen omdat over de destijds verstrekte leenbijstand onder verband van krediethypotheek geen loonheffing was verschuldigd. Voorts heeft appellante erop gewezen dat zij het door de trage besluitvorming van het College vanaf 1 maart 2006 langdurig zonder bijstand heeft moeten stellen en dat zij eerder dan in december 2006 weer voor bijstand in aanmerking had moeten worden gebracht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Uit de stukken blijkt dat op 9 september 2005 op de girorekening [rekeningnummer] van appellante bij de Postbank een bedrag van € 33.293,49 is overgemaakt. Appellante had over dat bedrag de feitelijke beschikkingsmacht, zodat zij uit dien hoofde beschikte of redelijkerwijs kon beschikken over in aanmerking te nemen vermogen. Tussen partijen is niet (langer) in geschil dat de destijds bij de toekenning van de bijstand in de vorm van een geldlening onder verband van krediethypotheek toegepaste vrijlatingen (regulier én wegens eigen woningbezit tot een bedrag van in totaal € 36.575,--) na de vermogenstoeval op 9 september 2005 niet nogmaals, in een ononderbroken periode van bijstandverlening, kunnen worden gehanteerd. Dit betekent dat, zolang het tegoed van€ 33.293,49 niet tot nihil was ingeteerd voor appellante in beginsel een beletsel voor (voortzetting van) de bijstandverlening aanwezig was. Uit de overgelegde giroafschriften (waarvan de volgnummers 3,4 en 5 uit 2006 ontbreken) blijkt onder meer dat op deze girorekening op 14 december 2005 een bedrag van € 26.315,29 stond, op 8 februari 2006 € 20.583,50, op 14 juni 2006 € 11.685,82 en op 11 oktober 2006 nog € 5.190,56. Verder staat vast dat aan appellante met ingang van 22 december 2006 weer bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder is toegekend.

4.2. Uit hetgeen onder 4.1 is overwogen vloeit voort dat appellante over de periode van 9 september 2005 tot en met 28 februari 2006 wegens aanwezig oververmogen geen recht op bijstand had. Voor de aan de Raad voorts ter beoordeling staande periode van1 maart 2006 tot en met 14 december 2006 (zijnde de datum van het intrekkingsbesluit) geldt hetzelfde. De Raad merkt in dat verband nog op dat weliswaar van één in aanmerking te nemen schuld van € 1.903,13 aan de gemeente Wervershoof is gebleken, maar dit is onvoldoende om de intrekking over laatstgenoemde periode met succes aan te tasten. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat op 11 oktober 2006 nog een positief saldo van € 5.190,56 op de girorekening van appellante stond, dat zich onder de gedingstukken geen giroafschriften bevinden die zien op de periode van 11 oktober 2006 tot en met 14 december 2006 (en daarna) en dat niet van bijzondere (extra) uitgaven in laatstgenoemde periode is gebleken, zodat het ervoor moet worden gehouden dat appellante in ieder geval tot en met 14 december 2006 door gebruikmaking van het tegoed op girorekening [rekeningnummer] in de noodzakelijke bestaanskosten heeft voorzien.

4.3. Hetgeen overigens door appellante is aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen. De Raad merkt in dat verband nog op dat appellante de betreffende giroafschriften door tussenkomst van J.R. Swartz van de stichting Time-Out kennelijk eerst in oktober/november 2006 heeft overgelegd, zodat pas toen duidelijkheid kon worden verkregen omtrent de financiële situatie van appellante ten tijde hier in geding. Hetgeen appellante heeft gesteld omtrent misgelopen fiscale voordelen verband houdende met de verstrekking van leenbijstand onder verband van krediethypotheek, volgt de Raad - wat daarvan zij - niet, nu dit in ieder geval niet als een rechtsgevolg van de onderhavige intrekking of terugvordering van verleende bijstand kan worden aangemerkt en bovendien ziet op een tijdvak dat aan de hier in geding zijnde periode voorafgaat. Dat ten aanzien van deze post hetzelfde zou moeten worden gehandeld als met betrekking tot de zogenoemde heffingskorting over de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 mei 2005 (hetgeen heeft geresulteerd in een nabetaling door het College van € 2.700,34 aan appellante) kan de Raad evenmin volgen, omdat deze correctie zijn grondslag vond in een eerder door het College onjuist toegepaste korting en van een soortgelijke fout in het kader van de verstrekking van leenbijstand onder verband van krediethypotheek geen sprake is geweest.

4.4. Vaststaat verder dat appellante de onder 4.1 bedoelde vermogenstoeval niet tijdig en uit eigen beweging aan het College heeft gemeld, zodat zij de op haar rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB niet is nagekomen. Het College was daarom ingevolge artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand over de periode van 9 september 2005 tot en met 28 februari 2006 en vanaf 1 maart 2006 in te trekken. De Raad ziet geen grond om te oordelen dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken. De Raad stelt voorts vast dat tegen de terugvordering van kosten van bijstand geen afzonderlijke gronden zijn aangevoerd, zodat de terugvordering hier buiten bespreking kan blijven.

4.5. Uit het voorgaande vloeit voort dat de hoger beroepen geen doel treffen. De aangevallen uitspraken 1 en 2 komen daarom voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken 1 en 2.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter enR.H.M. Roelofs en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2010.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) C. de Blaeij.

SG