Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM1201

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-04-2010
Datum publicatie
20-04-2010
Zaaknummer
07-7063 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Proceskostenveroordeling. De Raad bepaalt dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent het verzoek van betrokkene om schadevergoeding in verband met mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/7063 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 21a van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 9 november 2007, 03/1316 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 14 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. A.C. Cornelisse, advocaat te Apeldoorn, een verweerschrift indiend.

Bij brief van 12 november 2009 heeft appellant een gewijzigde beslissing op bezwaar van diezelfde datum ingezonden en tevens het hoger beroep ingetrokken.

Bij brief van 23 december 2009 heeft mr. Cornelisse, voornoemd, verzocht appellant te veroordelen in de proceskosten en tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Appellant heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. Artikel 21a, eerste lid, eerste volzin, van de Beroepswet bepaalt dat in geval van intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan, het bestuursorgaan op verzoek van een partij bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden veroordeeld in de proceskosten.

2.1. De Raad stelt vast dat appellant het hoger beroep heeft ingetrokken en dat namens betrokkene een verzoek is gedaan om veroordeling van appellant in de proceskosten van betrokkene, bestaande uit gemaakte reiskosten en kosten voor verleende rechtsbijstand.

2.2. Aangezien de rechtbank al een veroordeling in de proceskosten in eerste aanleg heeft uitgesproken en hiertegen door betrokkene geen hoger beroep is ingesteld, staat de Raad nog slechts voor de beoordeling van de in hoger beroep gemaakte kosten.

2.3. De Raad ziet aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten die betrokkene in hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden, met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Wat betreft de reiskosten, welke betrokkene heeft gemaakt ten behoeve van het onderzoek door de zenuwarts prof. dr. T.I. Oei is de Raad van oordeel dat deze redelijkerwijs zijn gemaakt en voor vergoeding in aanmerking komen. Deze kosten voor het traject Apeldoorn – Bilthoven v.v. worden begroot op

€ 17,20.

3.1. Namens betrokkene is gewezen op de lange duur van de procedure in zijn geheel. Betrokkene heeft in dit kader een beroep gedaan op artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en heeft de Raad verzocht om toekenning van schadevergoeding.

3.2. Mede in het licht van artikel 13 van het EVRM acht de Raad in artikel 21a van de Beroepswet geen beletsel gelegen om een verzoek om schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn in deze procedure inhoudelijk te behandelen.

3.3. De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.

3.4. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009, LJN BH1009, is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat op grond van de rechtspraak van het EHRM de behandeling van - onder meer - socialezekerheidszaken in dit verband bijzondere aandacht vereist. In de uitspraak van 26 januari 2009 heeft de Raad verder overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De in 3.3 vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.

3.5. De aan de onderhavige zaak voorafgegane hoger beroepsprocedure is ingeleid met een besluit van 21 maart 2003, genomen ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Vanaf de ontvangst door appellant van het – tegen het besluit van 21 maart 2003 ingediende – bezwaarschrift van betrokkene op 14 april 2003 tot de datum van deze uitspraak zijn 7 jaar en 1 maand verstreken. De Raad heeft vooralsnog noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van betrokkene aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De Raad heeft vooralsnog noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van betrokkene aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door appellant iets minder dan vier maanden geduurd, heeft de behandeling van het beroep bij de rechtbank vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 18 september 2003 tot de uitspraak op 9 november 2007 vier jaar en twee maanden geduurd en heeft de behandeling van het hoger beroep door de Raad vanaf de ontvangst van het hoger beroepschrift op 18 december 2007 tot deze uitspraak op 14 april 2010 twee jaar en iets minder dan vier maanden geduurd. Aan het voorgaande kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn is geschonden in de rechterlijke fase.

3.6. De Raad verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure, met – voor zover nodig – verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet worden beslist omtrent het verzoek van betrokkene om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad daarbij de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 339,20 te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het onderzoek onder nummer BESLU 10/1858 wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent het verzoek van betrokkene om schadevergoeding in verband met mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2010.

(get.) H. Bolt.

(get.) A.L. de Gier.

GdJ