Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM1195

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-04-2010
Datum publicatie
15-04-2010
Zaaknummer
09-2932 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. De Raad kan zich vinden in het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts en ziet geen aanleiding een onafhankelijke deskundige te benoemen. De Raad is van oordeel dat de functies ‘schadecorrespondent’, ‘produktiemedewerker textiel, geen kleding’ en ‘receptionist, baliemedewerker’ in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2932 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 12 mei 2009, 08/440 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.W. Brouwer, advocaat te Assen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en rapporten ingezonden.

Appellant heeft bij schrijven van 15 februari 2010 medische stukken ingezonden, waarop door het Uwv is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2010. Appellant is verschenen bijgestaan door mr. Brouwer, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Belopavlovic.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was laatstelijk werkzaam als meubelmaker/timmerman en ontving vervolgens een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Op 3 juli 1996 heeft hij zich ziek gemeld met klachten passend bij artritis psoriatica. Het Uwv heeft appellant in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Bij besluit van 4 september 2007, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 5 mei 2008 (hierna: het bestreden besluit), heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant ingaande 5 november 2007 ingetrokken, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder bedraagt dan 15%. Dit besluit berust op het standpunt van het Uwv dat appellant ten gevolge van artritis psoriatica weliswaar beperkt is in zijn belastbaarheid en ongeschikt is te achten voor de maatmanfunctie, maar wel een viertal voor hem geschikt geachte functies kan verrichten. Het verlies aan verdiencapaciteit is berekend op 2%.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. De rechtbank heeft over de medische grondslag van het bestreden besluit geoordeeld dat de in verband met de artritis psoriatica in aanmerking te nemen functionele beperkingen correct zijn verwoord in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 24 mei 2007. Over de arbeidskundige grondslag van de schatting heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv eerst in beroep bij rapporten van 21 november 2008 van bezwaarverzekeringsarts A. van Bruggen en bezwaararbeidsdeskundige G. van Dam heeft toegelicht waarom de aan appellant voorgehouden functies naar het standpunt van het Uwv voldoen aan de in de FML neergelegde eis ‘dat de te duiden functies gewrichtsvriendelijk dienen te zijn’. De rechtbank heeft Van Bruggen niet gevolgd in zijn interpretatie van de term ‘gewrichtsvriendelijk’. Voorts heeft de rechtbank de aan de schatting ten grondslag gelegde functie wikkelaar niet geschikt geacht voor appellant omdat er een groot beroep wordt gedaan op hand- en vingergebruik. De gevraagde handelingen zouden, zo overwoog de rechtbank, luxerend (kunnen) werken op de gewrichtsklachten. De rechtbank oordeelde dat appellant - op grond van de resterende functies - onverminderd voor minder dan 15% arbeidsongeschikt is te beschouwen.

3.1. In hoger beroep heeft appellant de juistheid van de aangevallen uitspraak aangevochten voor zover daarbij is beslist dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven. Daartoe heeft appellant aangevoerd dat het Uwv zijn belastbaarheid niet juist heeft vastgesteld. Appellant benadrukt dat zijn klachten een wisselend beloop hebben en dat het door het Uwv verrichte medisch onderzoek slechts een momentopname betreft die geen goed beeld geeft van de ernst van zijn klachten. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft appellant verwezen naar verscheidene verklaringen van zijn behandelend reumatoloog dr. M.D. Posthumus en naar het in beroep overgelegde rapport van medisch adviseur D.J. Schakel van 25 september 2008. Appellant kan zich niet vinden in het oordeel van de rechtbank dat de overige aan de schatting ten grondslag gelegde functies geschikt zijn voor hem. Appellant stelt zich op het standpunt dat ook deze functies niet gewrichtsvriendelijk zijn. Appellant heeft de Raad verzocht een deskundige te benoemen.

3.2. Het Uwv heeft bij rapportage van 1 september 2009 van bezwaarverzekeringsarts Van Bruggen toegelicht dat bij de in geschil zijnde verzekeringsgeneeskundige beoordeling er geen bijzonderheden zijn geconstateerd bij appellant ten aanzien van de motoriek en de kracht van de handen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad heeft in hetgeen appellant in hoger beroep ter zake van de medische grondslag heeft aangevoerd geen grond gevonden om de rechtbank niet te volgen in haar oordeel dat het Uwv de belastbaarheid van appellant juist heeft vastgesteld. Het Uwv heeft appellant in verband met artritis psoriatica beperkt geacht voor trillingsbelasting, dynamische handelingen en statische houdingen. Het Uwv heeft onderkend dat de klachten van appellant wegens artritis psoriatica, afhankelijk van de activiteit van de aandoening, in ernst kunnen wisselen. Bij hun respectievelijke onderzoeken hebben zowel de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts op basis van uitgebreid lichamelijk onderzoek vastgesteld dat er op dat moment geen sprake was van actieve ontstekingen van de gewrichten en dat er geen bijzonderheden waren ten aanzien van de motoriek en de kracht van de handen. Bezwaarverzekeringsarts Van Bruggen heeft over de in hoger beroep in het geding gebrachte informatie van de behandelend reumatoloog gerapporteerd dat uit diens verklaringen van 21 mei 2007 en van 29 september 2008 blijkt dat er tussen de reumatoloog en de verzekeringsartsen geen verschil van visie bestaat over de medische situatie van appellant rond de datum in geding. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd heeft Van Bruggen geen aanleiding gegeven zijn opvatting te wijzigen. De Raad kan zich vinden in het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts. De Raad ziet dan ook geen aanleiding een onafhankelijke deskundige te benoemen.

4.2. Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid in de FML van 24 mei 2007 is de Raad van oordeel dat de functies ‘schadecorrespondent’, ‘produktiemedewerker textiel, geen kleding’ en ‘receptionist, baliemedewerker’, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant. De onderbouwing hiervoor is gegeven in de rapporten van bezwaararbeidskundige Van Dam van 28 april 2008 en 21 november 2008. Hierin wordt een als genoegzaam aan te merken toelichting gegeven op de bij de geselecteerde functies aangebrachte signaleringen.

4.3. Uit hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen, volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en T. Hoogenboom en M.C.M. van Laar als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2010.

(get.) H. Bolt.

(get.) T.J. van der Torn.

CVG