Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BM1191

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-04-2010
Datum publicatie
15-04-2010
Zaaknummer
09-2141 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2141 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 11 maart 2009, 08/938 (hierna: de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 april 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante stelde mr. I. Wudka, advocaat te Maastricht, hoger beroep in.

Het Uwv voerde verweer.

De zitting vond plaats op 24 maart 2010. Appellante verscheen met de bijstand van mr. Wudka. Namens het Uwv verscheen mr. M.J.M. van Haaften.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Het inleidende beroep richt zich tegen het besluit van 14 mei 2008 dat het Uwv ter uitvoering van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) nam. Met dat besluit handhaaft het Uwv ondanks het bezwaar van appellante zijn besluit van 30 augustus 2007, waarbij hij appellante het recht op WIA-uitkering per 16 oktober 2007 weigerde. De reden voor die weigering is dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt.

2. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.

3.1. Appellante werkte laatstelijk als busbegeleidster voor bijna 10 uur per week. Zij staakte dat werk per 18 oktober 2005 wegens rugklachten en psychische klachten.

3.2. Partijen zijn het er over eens dat appellante haar werk als busbegeleidster niet meer kan verrichten en ook de Raad gaat daar van uit.

3.3.1. De verzekeringsarts onderzocht appellante op zijn spreekuur. Hij stelde een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op. Daarin hield hij rekening met artrose van de rugwervelkolom. Volgens de verzekeringsarts voldoet appellante niet volledig aan de criteria voor een depressieve stoornis, maar hij verwerkte wel een behoorlijk aantal beperkingen voor persoonlijk en sociaal functioneren in de FML.

3.3.2. De bezwaarverzekeringsarts gaat, na telefonisch overleg met de huisarts van appellante, wel uit van een depressieve stoornis zonder dat hij de FML aanscherpt in de rubrieken sociaal en persoonlijk functioneren. De verhoogde bloeddruk die hij aanvaardt, geeft geen aanleiding tot aanvullende beperkingen tot het verrichten van arbeid. Wel scherpte de bezwaarverzekeringsarts de FML aan voor het hanteren van zware lasten.

3.4. Deze aanpassing van de FML leidt de bezwaararbeidsdeskundige niet tot een andere conclusie over de geschiktheid van de aan appellante als geschikt voorgehouden functies.

4.1. In hoger beroep herhaalt appellante als beroepsgrond dat haar medische beperkingen in de FML zijn onderschat. Zij beroept zich hiervoor op de op haar verzoek opgestelde brief van 24 januari 2009 van de verzekeringsarts P.M.J. Swerts.

4.2. Daarin schrijft Swerts dat de artrose aanleiding moet zijn tot verdergaande beperkingen voor wat betreft frequent buigen en staan tijdens het werk. Appellante moet van houding kunnen veranderen om “verstijving” te voorkomen en Swerts twijfelt aan de duurzaamheid van haar inzet vanwege de kans op regelmatige uitval door overbelasting. Swerts bevestigt uitdrukkelijk de juistheid van de FML wat betreft de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren.

5.1. De Raad onderschrijft de aangevallen uitspraak.

5.2.1. De bezwaarverzekeringsgeneeskundige motiveerde zijn oordeel inzichtelijk en consistent en baseerde zich op het onderzoek door de verzekeringsarts, de informatie van de huisarts en de brieven van 17 april 2007 en 13 februari 2008 van de appellante behandelende psychotherapeut.

5.2.2. De kanttekeningen die Swerts plaatst missen een onderbouwing.

5.3. De Raad ziet onvoldoende reden voor de inschakeling van een deskundige.

5.4. De (bezwaar-)arbeidsdeskundige heeft de geschiktheid van de functies voldoende toegelicht.

6. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal de Raad bevestigen.

7. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2010.

(get.) R.C. Stam.

(get.) M.D.F. de Moor.

TM